Nomaden en sedentairen.

Grofweg kunnen we de vroege mens onderscheiden in 2 hoofdgroepen:

  1. de Nomaden
  2. de Sedentairen

Van de oorspronkelijke mens die leefde in een warme en voedselrijke omgeving hebben zich 2 groepen afgescheiden die naar streken trokken waar de omgeving aanpassing vraagt om te kunnen overleven. Nadat hun gebied als gevolg van klimaatsveranderingen minder geschikt was geworden voor grotere groepen mensen, ging een deel van de mensen op zoek naar andere voedselgebieden. Slechts een klein deel bleef in het oorspronggebied wonen. De oorspronkelijken moesten zich weliswaar aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden, maar die aanpassing was gering. Zo af en toe moest er gejaagd worden, maar over het algemeen kon men goed leven van wat de omgeving bood. Het klimaat was warm genoeg en het bedenken en maken van diverse soorten kleding of anderssoortige woonruimte was niet van levensbelang.

Een groeiend aantal groepen trok weg naar andere, vaak  minder geschikte oorden. Deze vertrekkende groepen kunnen we onder verdelen in nomaden en sedentairen

De groepen die vertrokken uit het gebied van oorsprong gingen naar de minder begroeide, maar nog wel warmere gebieden ten noorden en zuiden daarvan. Er was in deze steppeachtige gebieden door wisselende seizoenen niet permanent voldoende water en plantaardig voedsel en daarmee samenhangend trok ook het wild rond op zoek naar plaatsen waar nog wel water en eten was. Ook de groepen mensen waren gedwongen constant heen en weer te trekken op zoek naar gebieden met water, plantaardig voedsel en wild: het werden de nomaden.

Voor de nomaden was de omgeving iets waar men doorheentrok; slechts interessant omdat er iets te halen was. Niet iets dat door mensenhand veranderd werd en om die reden gerespecteerd moet worden. De band met de eigen familie en de stam waren van levensbelang. Persoonlijke vaardigheden of kracht/macht waren de immateriële zaken die naast de afstamming bijdroegen aan de plaats in de stam. Alles wat aan stoffelijke zaken doorgegeven werd aan de volgende generatie moest snel en makkelijk vervoerd kunnen worden: “Een mens moet niet meer bezitten dan zijn kamelen kunnen dragen”.

Nomaden leefden aanvankelijk naast het verzamelen van voedsel van de jacht. Na verloop van tijd werden dieren niet alleen gedood, maar ook levend meegevoerd. Schapen en geiten, later ook paarden en kamelen, kunnen met de stam meetrekken en vormen een belangrijk kapitaal voor de nomaden. Ook kippen waren in een latere periode geliefd omdat ook deze makkelijk te vervoeren zijn en zorgen voor vlees en eieren.

Andere groepen trokken verder op zoek naar nog meer voedselmogelijkheden. Een aantal van deze groepen vestigde zich in koudere streken, waar door de wisseling van seizoenen er hele perioden met weinig voedsel (groente, fruit, noten) waren , maar nog wel dieren die bejaagd konden worden. Vlees werd een belangrijke voedselbron. Het leven in de koudere streken was hard. Waarschijnlijk al in de interglaciale perioden, maar in ieder geval na de laatste ijstijd, werd een deel van de in de warmere periodes verzamelde producten geconserveerd opgeslagen om zo ook in de lange koude periode aan de benodigde hoeveelheid groente en fruit te kunnen komen. Hiervoor moesten geschikte kampementen gebouwd worden. Deze groepen mensen werden de bouwers en vestigden zich noodzakelijkerwijs op geschikte plekken: het werden de sedentairen. En nu ze zich op één plek gevestigd hadden stapten ze over van het zoeken naar eetbare planten en vruchten tot het verbouwen daarvan. Het werden landbouwers. Af en toe werden de sedentairen geplunderd door nomaden. Vanuit de levenswijze van de nomaden was het verbouwde voedsel gewoon een voedselbron die de nomaden bij het rondtrekken tegenkwamen en gebruikten. Bezit was een onbekend begrip. Een dorp of stad werd niet permanent bezet.

Voor de sedentairen werd de plaats waar zij zich vestigden van groot belang. Daar werd generatie op generatie verder gebouwd aan goede opslagplaatsen, warme woonruimtes en geschikte plaatsen om het vlees geschikt te maken voor consumptie. In hun cultuur was er een sterk respect voor de omgeving. Voor het nageslacht werd deze omgeving verder vervolmaakt. Ze leerden hun kinderen de waarde van een goede woonruimte, van respect voor de natuur om zich heen, want dat was wat zij hen later na konden laten.

Bij nomadische volken wordt het zijn gerelateerd aan het gevoel als groep/stam krachtig genoeg te zijn om de omgeving de baas te kunnen; superieur te zijn aan omgeving en omstandigheden. Sedentaire volken relateren wie zij zijn vaak aan de band met de plek waar de groep leeft en de trots op wat daar door de diverse generaties opgebouwd is.