Achille Lauro

29 november 1994, Indische Oceaan.

Leo van Welsum dronk het bodempje rode wijn dat nog in zijn glas zat in één slok op en draaide zich half om op zijn barkruk. Het café was leeg op hemzelf na en twee mannen die in een door de whisky moeizaam verlopend gesprek gewikkeld waren. Het was over elven en de barman was al een tijdje nergens te bekennen. Als hij nog een glas wijn wilde moest hij naar de nachtclub een dek lager. Hij stond op en liep de statige licht gedraaide trap af die uitkwam in de Starlight club. Het was niet heel druk; de tafeltjes waren lang niet allemaal bezet. Wellicht hadden sommige passagiers na het voorval eerder vanavond besloten wat uit te waaien op het dek. Vlak na het avondeten had Guiseppe, de kapitein van de Achille Lauro, om laten roepen dat er een brandje in de machinekamer was ontstaan. Gert Meyer, een 71 jaar oude Bosschenaar die op dat moment bij hem aan tafel zat, had een onrustig half uurtje moeten wachten voor hij hun hostess Janet eindelijk zag lopen. De Meyers vormden met Leo en nog zestien anderen het Nederlandse contingent onder de ruim negenhonderd passagiers die zich hadden ingescheept voor deze cruise van Genua naar Durban in Zuid Afrika. Gert had Leo toevertrouwd dat zijn vrouw ziek was en het maken van een cruise altijd haar grootste wens geweest was. Van hem hoefde het niet zo nodig, maar voor haar had hij de reis geboekt. Wat Gert’s vrouw precies mankeerde wist Leo niet of was hem ontgaan. Interesse in het dagelijks wel en wee van de mensen in zijn omgeving was nooit zijn sterkste kant geweest. Gert had zich vanaf hij aan boord kwam als een teek aan de hostess gehecht. Aanvankelijk met gezellige prietpraat. Maar al snel claimde hij voortdurend haar aandacht met uitgebreide verslagen over alle kwaaltjes en ziektes die zijn vrouw had. “En nou dachten we dat een cruise wel goed voor ons Marie zou zijn, maar vannacht heeft ze weer geen oog dicht gedaan van de pijn aan d’r nieren.”. Gert had luid door de eetzaal geroepen naar Janet die met een vriendelijke lach naar onze tafel toe kwam. “Hoe is ’t met die brand? Niet dat we d’r wakker van liggen want ons Marie slaapt toch niet. Maar ik hoor niks meer dus ik dacht ik vraag ’t effe aan Janet.” “Ik heb net de crew gesproken en het vuur is al weer geblust, meneer Meyer. Dus U hoeft zich geen zorgen te maken.” Meyer had bedankt en vroeg meteen of zijn Marie morgen nog even bij de dokter langs kon komen, want ze dacht dat ze te hoge bloeddruk had.
In de Starlightclub speelde het Italiaanse Late Night Lounge Trio ‘Let it Be’ van de Beatles. Een verzoeknummer waarschijnlijk, want hun vaste repertoire bestond vooral uit liedjes van Harry Belafonte of andere aan zon en palmen refererende evergreens.

In de hoek zat een groepje oudere Nederlanders met in hun midden Gert Meyer. Zijn vrouw was blijkbaar al naar bed. Vanaf hier hoorde hij Gert boven iedereen uit oreren over de slechte kwaliteit van Italiaans personeel. Zijn probleem was waarschijnlijk dat hij hen niet verstond en zij ook geen woord van zijn Brabants begrepen. Gert loste dit op door luider tegen hen te praten. Als Janet toevallig in de buurt was, probeerde hij zijn communicatie met het personeel via haar te laten lopen, maar echter zonder zijn stemvolume te minderen. Leo besloot niet hier te blijven. Hij bestelde een dubbele cognac bij de bar en ging onopvallend buiten de zitjes om, richting het promenadedek. In de ligstoelen zaten her en der wat echtparen zacht pratend of sluimerend te genieten van de zwoele avond. Even dacht hij hoe heerlijk het geweest zou zijn als ook hij deze cruise samen met zijn vrouw had kunnen maken.
Leo slenterde door naar het achterdek. De zee was rustig en alleen het monotone zachte gestamp van de Sulzer dieselmotoren diep in de buik van het schip en het ruisende geluid van de naar beide zijden wegrollende boeggolf lieten hem weten dat hij voer. Vanuit de pool-bar bij de achtersteven op het hoger gelegen zonnedek klonk 80er jaren popmuziek vermengd met damesstemmen en zo af en toe de te luide lach van drinkende mannen. Hangend over de reling staarde hij over het water waarop de maan een baan van duizenden lichtjes tekende. Daar in de verte lag de kust van Somalië, wist hij. Ze hadden die ochtend de Golf van Aden verlaten en voeren nu richting Mauritius, één van de Seychellen eilanden. De geur van de zee was hier anders dan in Nederland. Toen hij klein was rook hij de Noordzee lang voordat hij die kon zien. Het laatste stukje rende hij dan en bleef even staan op de top van het duin waar hij uitkeek over de eindeloze zee, om daarna zo snel mogelijk naar de vloedlijn te hollen. De strook van schelpen en zeewier en de aangespoelde kwallen, achtergelaten door de laatste vloed, zou hij later op de dag verkennen. Springen als er een golf kwam; hij had zijn kousen en schoenen nog aan. De kinderlijke sensatie, dat onbekommerde zorgeloze zonnige en verwachtingsvolle. Deze zee rook zoeter; de geur van het verre vaste land van Afrika leek zich te vermengen met die van het zilte water.
Zijn dochters hadden bedacht dat het goed zou zijn om de cruise naar Zuid-Afrika te maken nu hij nog gezond was. Na het overlijden van zijn vrouw, bedacht hij nu, was zijn leven een doelloos automatisme geworden. De eerste maanden hadden de oude vrienden en vriendinnen hem nog bezocht; hem overladen met sympathie en aandacht; hem uitgenodigd voor het eten, hem meegenomen naar de schouwburg en gevraagd voor weekendtripjes. Ik moet dat doen, had hij gedacht, anders word ik zo’n eenzame bejaarde. Maar de lust ontbrak. Na verloop van tijd bleef hij steeds vaker thuis. “Ik wil mijn boek afmaken” zei hij als iemand vroeg waarom hij er niet uit ging. Hij had zichzelf wijsgemaakt dat dit ook echt de reden was en dwong zichzelf om dagelijks achter zijn typemachine te gaan zitten. Maar de pagina’s die hij op papier kreeg waren zielloos en verdwenen even snel weer in de pullenbak. De uren dat hij schreef werden minder en uiteindelijk kwam er niets meer op papier. Hij was vervallen in een dagelijks ritme dat bepaald werd door de krant, de televisie en de bezoekjes van zijn dochters. Hij kookte wel voor zichzelf, maar met smaak eten deed hij al lang niet meer. Meestal ging de helft zo de afvalbak in. En de laatste tijd sloeg hij zelfs maaltijden over. Een kop soep was genoeg, met een boterham. Op zijn verjaardag hadden zijn dochters de oude vrienden uitgenodigd. Voor het eerst sinds lange tijd was het weer gezellig. Verhalen van vroeger; flessen wijn die al lange tijd in de kast stonden werden opengetrokken; en er werd gelachen. Van de kleinkinderen had hij een aktetas gekregen. Geen idee wat hij daarmee moest. Totdat zijn dochters na het eten met deze cruise kwamen. “Je gaat op een luxe schip naar Zuid-Afrika; je zit hier thuis gewoon te verkommeren en je gaat nooit meer ergens naar toe. Je wilde altijd al meer van de wereld zien. En op zo’n cruise heb je zo aanspraak. Weet je hoeveel mannen en vrouwen van jouw leeftijd hetzelfde doen? En je mankeert niets. Als je het nu niet doet komt het er niet meer van. Straks krijg je één of andere ouderdomsziekte en heb je spijt dat je het niet gedaan hebt. Je gaat gewoon Pa. Kan je eindelijk dat boek eens afmaken. Daarom hebben we ook de aktetas gegeven. Kan je al je papierrommel meenemen en in het zonnetje op die boot gaan zitten schrijven. Heb je al gekeken hoe handig die tas is? Er zitten verschillende vakken in en aparte vakjes voor pennen of wat je maar aan kleine dingen nodig hebt. Het is echt leer, maar laat er geen zeewater op komen, want dan krijg je witte vlekken. En neem je fototoestel mee want we willen wel zien hoe het was.” Hij kon er al niet meer onderuit. En dankzij de ouderwetse gezelligheid en de wijn wilde hij er ook niet meer onderuit. Ze hadden gelijk: hij moest weer eens wat gaan doen. Hij was nooit een man geweest die zijn leven naar de wensen van anderen richtte dus dat hij alleen ging leek hem juist wel aantrekkelijk. Zelf uitmaken met wie je een gesprek aanknoopt of lekker luieren en lezen als je daar zin in hebt. Die avond leek het een zinvol idee en de dagen daarna raakte hij steeds meer overtuigd van het feit dat hij, nu hij nog fit genoeg was, nog wel wat van het leven kon maken. Anderen van zijn leeftijd – hij was 73 – gedroegen zich als hulpbehoevende bejaarden en zaten ergens weg te kwijnen in een tehuis. Daar hoorde hij niet bij en wilde hij ook nooit bij horen. Hij zou gaan. En ze hadden gelijk: dat verdomde boek dat hij al 30 jaar wilde schrijven moest nu ook maar eens af. Het verhaal van hem, dwangarbeider tijdens de oorlog. In Chemnitz, waar hij met zijn vriend Joop moest werken bij de Wanderer Werke. Tijdens deze cruise kon hij al een eind komen. De rest maakte hij dan thuis wel af. Maar van schrijven was nog niet veel terecht gekomen. Vanaf het moment dat het schip uit Genua vertrok had hij vooral genoten van zijn nieuwe levenslust. Het schrijven van het boek leek ineens bij het troosteloze nietsdoen te horen waaraan hij zich na het overlijden van zijn vrouw dreigde over te geven. Maar hij was weer terug op aarde en voelde een optimistische spanning van dingen die nog komen moesten. Hoewel hij niet uitbundig meedeed met de andere passagiers, genoot hij van de nieuwe indrukken die hij opdeed. Lekker lui liggen in de ligstoelen op het promenadedek, waar je geen last had van de luidruchtige aanstellers bij de zwembaden op het achterdek. Hij had al drie boeken uitgelezen.

Het Suezkanaal, waar ze eergisteren doorheen voeren had hem uren aan dek gekluisterd. Een vreemde ervaring om met een schip door de woestijn te varen, wat hem in mijmering had doen verzinken. De hele roerige geschiedenis van de Suez crisis tot en met de Jom-Kipoer oorlog, gingen in redelijk chronologische volgorde door zijn hoofd. Leo had onwillekeurig over de reling gekeken en zich afgevraagd of dit de plek op dit schip was waar in 1985 de Joodse Amerikaan Leon Klinghoffer met rolstoel en al overboord was gegooid. De Achille Lauro was toen voor de kust van Egypte gekaapt door vier leden van het Palestijns Bevrijdingsfront. Ze hielden de passagiers en de bemanning in gijzeling. Zij wilden dat 50 Palestijnen werden vrijgelaten uit Israëlische gevangenissen. De kapers vermoordden een passagier in een rolstoel, de joodse Amerikaan Leon Klinghoffer, en gooiden zijn lichaam overboord. En hier stond hij, op het schip waar het zich allemaal afgespeeld had en voer langs de kust van Egypte waar de kaping was begonnen. Leo had nog een tijdje over de reling gehangen en genoten van de zon en de vele kleine zeilscheepjes in het kanaal rondom het schip. ‘s Avonds bij het eten realiseerde hij zich dat hij beter een linnen hoed op had kunnen zetten want zijn kalende hoofd was pijnlijk verbrand.

Het was al over twaalf, maar op het achterdek probeerden nog steeds wat oudere macho’s indruk te maken op de dames; wellicht in de hoop dat er ondanks het late uur toch nog een enerverende nacht kon volgen. Leo kende het patroon. Hij had nooit moeite gehad om een vrouw te versieren en voordat hij getrouwd was hingen ze om hem heen als bijen rond de honing. Maar hij voelde geen enkele behoefte om zich nu te mengen in het gezelschap van die patsers daar bij het zwembad. Hoewel het, toen hij aan boord ging, wel even door zijn hoofd ging om nog eens te kijken of zijn charme nog werkte bij de vrouwen. Maar die gedachte was weer snel verdwenen en hij genoot vooral van de zon, het kijken naar de mensen op de boot en het niets te hoeven. De druk van zijn dochters, vrienden en kennissen om na de dood van zijn vrouw gewoon verder te leven had lang verlammend gewerkt. Hij vond dat hij met name voor zijn dochters niet in zelfmeelij moest vervallen, terwijl hij eigenlijk helemaal niet wist of hij nog wel zin had om nog iets uit het leven te halen. Zijn leven was niet klaar, maar hij had het wel genoeg gevonden. Liever alleen met zijn herinneringen dan opgeprikt tussen de kennissen die hun best deden om er voor hem iets leuks van te maken. Maar toen zijn dochters met deze reis kwamen, had hij bewust gekozen om te gaan. Weer gaan leven, dingen zien en doen, met anderen discussiëren over de wereld, de politiek, toekomst. En daar kwam de gedachte aan dat rotboek weer. Het leek wel of bij alles wat gebeurde er vroeg of laat een soort stem uit het niets kwam die hem herinnerde aan dat nog te schrijven boek. In zijn hoofd had hij het boek al geschreven. Maar als hij tot voor kort iets op papier wilde zetten, leek het wel of zijn vroegere juf over zijn rug meekeek hoe hij een opstel schreef over de vakantie in Zeeland. Oninteressante flutpraat werd het. Alle flair en emotie verdwenen in de letterbrij. Een brei die een berg werd; een muur waar hij niet overheen kon. Nu was die vermoeiende verwardheid, de druk, de moedeloosheid, verdwenen met het zachte geluid van de motoren van het schip, het geluid van de hekgolf, de verre geur van het Afrikaans land. Daar links, niet eens zo heel ver weg, lag Somalië en daarachter Ethiopië. Een overweldigend, maar prettig gevoel kwam over Leo heen. Daar, in dat deel van de wereld, waren de eerste sporen van de mens. Vaag kwam bij hem de gedachte op om overboord te springen en zich naar dat prachtige land daar in de nacht te laten drijven. Terug naar de oorsprong. Komend vanuit het water zou hij voet aan wal zetten, zoals ooit 350 miljoen jaar geleden de eerste levende wezens van zee aan land gingen, longen ontwikkelden, zich gingen voeden met planten om uiteindelijk ergens in dat warme land rond Ethiopië, te evolueren tot de soort die wij nu mens noemen.
Leo sprong niet overboord. Hij bleef nog een tijd staan mijmeren en vertrok vervolgens naar zijn hut om wat te lezen en daarna te gaan slapen. Maar zover kwam hij niet. In het smalle gangpad naar zijn hut zocht hij naar de sleutel. Een luide knal, of eigenlijk meer een luide doffe klap, bracht een lichte trilling door het schip. Niet echt geschrokken, maar eerder verbaasd en nieuwsgierig keek hij rond. In de hut achter hem hoorde hij een vrouw geagiteerd haar man wekken.: “Did’nt you hear that, Andrew? Go see what happened”. Ook uit andere hutten kwam geluid van wakker geworden passagiers. Een steward kwam met versnelde pas de gang in en bonsde op alle deuren. ” Wake up!”, was zijn enige uitleg van wat er aan de hand was. Deuren gingen open en nog twee stewards kwamen de gang in gesneld. Overal slaperige mensen die in de meest uiteenlopende nachtkleding in de gang bleven staan om van de stewards te horen wat ze moesten doen. Leo voegde zich bij een klein groepje dat zich snel had aangekleed of die nog op waren en op weg gingen naar het dek. De stilte van de nacht werd in toenemende mate verstoord door groepjes passagiers die elkaar uitlegden wat ze allemaal niet wisten. Speculeren over waarom ze naar het dek gedirigeerd werden en klagen over de hectiek die de stewards veroorzaakten terwijl er niets ernstigs aan de hand was. “Ik sliep net” hoorde hij Gert Meyer tegen niemand in het bijzonder roepen. “Ik dacht dat ze die deur in zouden rammen. Man wat een kabaal. Ons Marie kreeg bijna een beroerte. Dat is toch geen stijl zo? Heeft iemand Janet al gezien?”

Indische Oceaan 24.14 u

Leo slenterde langs de reling. Onwillekeurig keek hij in het diepe water om te zien of ze een rots of iets dergelijks hadden geraakt. Misschien zat er een gat in de kiel. Maar hij zag niets en aangezien de bemanning geheel opging in het naar het achterdek leiden van de passagiers, nam hij aan dat er geen aanvaring geweest was. Hij rook een lucht van verbrande olie, maar kon in het donker nergens rook zien en sloot zich aan bij de groep mensen op het achterdek. Zo’n 100 passagiers schatte hij snel, maar er waren natuurlijk meer verzamelpunten. Meyer stond er ook al. Zijn slechte humeur was omgeslagen, of hij probeerde zijn zenuwen de baas te worden, want hij was het middelpunt van een groeiend Nederlands zanggroepje dat vooralsnog niet verder kwam dan “toen wij uit Rotterdam vertrokken…”.
De brandlucht werd nu snel sterker, maar de geur van brandende olie had plaats gemaakt voor een doordringende lucht van brandend kunststof. En vanuit het midden van het schip stegen nu langs de scheepswand kleine geel-grijze rookwolken op; vrijwel recht omhoog, want het was nog steeds nagenoeg windstil. Hij keek over de reling en zag dat op de lagere dekken zich ook groepen druk pratende mensen verzamelden.
Het was iets over twee en hoewel ze op zee waren was de nacht aangenaam warm. Op het dek beneden hem trok een vrouw een vest over haar blote armen en kroop rillerig tegen haar man aan. Hoewel de bloedsomloop van vrouwen zorgt dat ze het sneller koud hebben, was dit waarschijnlijk eerder een instinctieve handeling waarmee ze haar man duidelijk maakte dat ze behoefte had aan zijn bescherming. Leo kon zich wel voorstellen dat een aantal passagiers angstig waren, hoewel er nergens sprake was van paniek of hysterie. Voor veel mensen is een kakkerlak in de hotelkamer in Benidorm, een door zware regenval ondergelopen kelder of de deuk die manlief in de auto heeft gereden, al een ingrijpende gebeurtenis. Dan is brand op een cruiseschip, het hele protocol van verzamelen op het dek en de onzekerheid van wat er verder gaat gebeuren, een bijna wereldschokkende ramp, waarover je – na een serie sessies met het speciaal geformeerde traumateam – de rest van je leven een emotioneel relaas kan doen op feestjes en partijen. Enige tijd bleef hij kijken naar wat er zich op het sloependek beneden hem afspeelde, maar er gebeurde weinig. Mensen stonden, net als op het promenadedek, wat te praten of zochten, in afwachting van nieuwe mededelingen, een stoel op.
Het zangkoor had zich inmiddels ook in een paar ligstoelen genesteld. En gelukkig bepaalden een tweetal Engelsen nu het repertoire, waardoor de rol van Gert beperkt werd tot meezingen. Een stukje verderop hadden bemanningsleden in het Engels staan uitleggen dat er niets aan de hand was en dat iedereen hier moest wachten tot de eigen reisleidster zou zeggen wat er verder ging gebeuren. Maar die waren nu verdwenen. Waarschijnlijk bezig met het blussen van de brand. Nu pas merkte hij dat het schip stil lag. Er was geen spoor van een hekgolf te zien en het zachte geluid van de motoren was verdwenen. Hij vroeg zich af of ze vandaag Mauritius nog zouden bereiken, zoals gepland was. Als de brand in de machinekamer was zou het wel eens een tijdje kunnen duren voordat de motoren weer gerepareerd waren. Net toen hij besloten had een wandelingetje over het schip te gaan maken om te zien wat er precies aan de hand was, kwam Janet op het achterdek. Ze riep de Nederlanders bij elkaar, maar ook het Engelse deel van het zangkoor sloot zich bij de toehoorders aan. “Ik heb begrepen dat het brandje in de machinekamer van gisteravond toch niet helemaal geblust was en er is wat olie in brand geraakt. De bemanning is bezig om het brandje te blussen en als dat gelukt is kan de schade bekeken worden. We lopen een paar uur vertraging op, maar ik ga ervan uit dat we morgen in de loop van de dag in de haven van Mauritius binnenlopen. Ik wil U wel vragen om nu nog op het dek te blijven totdat de stank uit de gangen en cabines is. Ik laat U wel weten als U naar uw hut terug kunt.” Janet bleef nog even staan om antwoord te geven op de vragen van de passagiers. Leo geloofde het wel. Niet dat hij altijd alle vertrouwen in de kundigheid van anderen had en ook nu kreeg hij niet direct de indruk dat de bemanning goed was voorbereid op dit soort situaties. Maar hij had zich erbij neergelegd dat je van personeel geen grote professionaliteit en kundigheid moest verwachten. Trots zijn op je werk, alle kneepjes van je vak willen kennen, allemaal ouwe-lullenpraat. Rendement, flexibel personeelsbeleid en goedkope arbeidskracht waren de drijvende factoren van de economie. En kwaliteit is een marketinginstrument, niet iets dat je als mens ook echt herkent, had hij in discussies over de – in zijn beleving alleen nog op geld gerichte – samenleving te horen gekregen. En als je het zo bekeek deed de bemanning het nog niet zo slecht. De communicatie over wat er aan de hand was liet te wensen over, maar daar hadden ze Janet voor. En aan het zenuwachtige geloop te zien waren ze druk bezig met het blussen van het brandje beneden in de machinekamer, dus het was nu gewoon een kwestie van wachten. Leo had zich al in een ligstoel bij het zwembad genesteld en hij leek weg te zakken in een lichte slaap.
Het gegil van Gert’s vrouw en opgewonden geschreeuw van een paar bemanningsleden rukten hem ruw uit zijn rust. Beneden hen steeg nu een dikke rookwolk op en doordat de rook zich ook over het achterdek verspreidde kregen verschillende passagiers hoestaanvallen. Een dof gepiep en gekraak steeg op uit de buik van het schip en Leo voelde duidelijk dat het schip licht naar bakboord begon te hellen. Of was het stuurboord? Nee, stuurboord is de kant waar het stuur zit, en dat zit rechts. Dus bakboord. Janet stond een klein eindje verderop met twee bemanningsleden, die druk gebarend en wijzend iets aan haar probeerden duidelijk te maken. Na ongeveer een minuut kwam Janet op de groep Nederlanders af en zei kort: “iedereen achter mij aan naar het voordek”, en ze begon – een beetje schuin omdat het schip wat overhelde – te lopen in haar keurige blauwe mantelpakje en bijpassende schoentjes met hoge hakken.. De hele groep volgde; ook de Engelsen en een paar Zuid-Afrikanen. De bemanningsleden waren inmiddels al weer in het schip verdwenen. Een Engelse vrouw praatte op een wat jammerende toon met haar man, maar de meesten waren opvallend stil. Het voordek was kleiner dan het achterdek. Gelukkig werden de Engelsen opgehaald door hun eigen hostess en samen met de Zuid-Afrikanen, die blijkbaar geen eigen hostess hadden en Engels prefereerden boven het Nederlands, verdwenen ze door de deur naar de trap die naar het dek beneden leidde. De groep Nederlanders dromde om Janet heen. Ook Leo, hoewel hij wat aan de buitenkant van de kring bleef. “Ik ga even vragen hoe het ermee staat”, begon Janet ijzig kalm. “Blijven jullie op deze verzamelplaats, zodat ik straks niet iedereen moet gaan zoeken”. En weg was Janet, richting de stuurhut boven op het schip. Van beneden werd het al enige tijd hoorbare sissende geluid plotseling luider, gevolgd door doffe knallen en gepiep. Nu begon het schip duidelijker te hellen. “What is this” vroeg één van de Nederlanders aan een bemanningslid die van het achterdek kwam. “We try to put out the fire by letting in water in the engineroom”, was het antwoord dat met duidelijke Italiaanse tongval werd gegeven. “Zouden ze dat er wel weer uitgepompt krijgen?” vroeg de vrouw van de vragensteller. De man zweeg. Het vertrouwen in een goede afloop nam op het in toenemende mate hellende schip snel af. Van beneden klonk geschreeuw van bemanningsleden, gevolgd door het geluid van kettingen. Iedereen haastte zich naar de reling. Op het sloependek was het ineens een chaotische bedrijvigheid. Sloepen werden losgemaakt en bemanningsleden schreeuwden tegen elkaar en tegen de passagiers. Plotseling stond Janet weer tussen hen in. “De kapitein heeft een noodsignaal uit laten gaan”, sprak ze in korte, bijna blaffende woorden. “Zodra er door andere schepen in de buurt op gereageerd wordt kunnen we van boord. Er zijn genoeg sloepen voor iedereen. We varen dan met het andere schip naar de dichtstbijzijnde haven. De Achille Lauro wordt opgepikt door een sleepboot. Hij maakt te veel slagzij om mee verder te varen.” Verbijsterd keken ze Janet aan. “Moeten we van boord?” vroeg iemand. Janet reageerde niet direct op deze overbodige vraag. “Als U allemaal even kan blijven staan, dan kijk ik of iedereen er is”. Janet telde twee maal het groepje Nederlanders dat om haar heen stond. Als geoefend hostess kende ze waarschijnlijk elke Nederlander aan boord bij naam en was het eenvoudig om na een telling te controleren wie er miste. Er miste niemand. “We gaan allemaal naar beneden, naar de sloepen; loop maar achter mij aan”. Leo vroeg zich af of Janet echt zo rustig en kordaat was of dat dit haar manier was om met haar eigen stress om te gaan. Bijna in ganzenpas volgende ze Janet door de smalle deur naar de trap. Leo was net op de bovenste tree toen een dikke rookwolk het gangpad beneden hen vulde. De mensen vooraan begonnen te hoesten en ook Leo kreeg een flinke hoeveelheid van de scherpe rook in zijn longen. “Terug naar het dek”, hoorde hij Janet van beneden roepen, maar hij werd al opzij geduwd door de groep die van beneden terug de trap op rende. Happend naar frisse lucht stond even later de hele groep weer op het voordek. “Ik ga kijken of er een betere weg naar het sloependek is” riep Janet; en weg was ze. Leo keek op zijn horloge: het was al bijna half zes en pas nu merkte hij op dat het al zo goed als licht was. Niet ver van de plaats waar hij stond was zijn hut. Met al zijn materiaal voor het boek! Heel even keek hij rond. Van paniek was geen sprake en Janet was nog wel even onderweg om een andere weg naar het sloependek te vinden. Hij grabbelde in zijn zak naar zijn kamersleutel en liep het gangpad in naar de hutten. Hij zou alleen de aktetas meenemen. En zijn paspoort, want er zou wel weer de nodige papieren rompslomp volgen als ze eenmaal aan land waren.
Janet liep naar de brede trap in het midden van het schip. Ze keek snel door de deur in de trappenhal. Nauwelijks rook. Vlug rende ze terug naar de groep op het voordek en dirigeerde hen naar de andere trap, waarbij ze zonder paniekerig te klinken, toch zorgde dat de vaart erin kwam. Ze waren de laatste groep die bij de reddingsboten kwam, maar snel ging het niet. Bijna de helft van de mensen die vanaf het begin bij de sloepen stonden, wachtte nog op het moment dat zij door de nerveuze bemanning werden aangewezen om zich zittend in een sloep in de rustige zee te laten zakken. Een Zuid Afrikaan vertelde in het Zuid Afrikaans, waarvan hij aannam dat de Nederlanders dat goed begrepen, dat een deel van de bemanning al in de sloepen zat. Schande! Ze zouden eerst de passagiers moeten helpen en als laatste van boord gaan. De bemanning die er nog wel was, had duidelijk geen ervaring met dit soort situaties en ze hadden waarschijnlijk ook nooit echt geoefend. Ze schreeuwden voortdurend tegen elkaar, maar met het verdelen van de mensen over de reddingssloepen wilde het niet erg vlotten. Eén voor één werden volle sloepen langzaam en bonkend tegen de wand van het schip, te water gelaten. Mevrouw Meyer werd hysterisch. Jammerend kondigde ze aan dat ze absoluut niet in dat ding ging stappen, hoewel ze nog lang niet aan de beurt was. Toen Gert haar probeerde te kalmeren zakte ze half in elkaar en kreunde van pijn. Gert riep naar Janet dat zijn vrouw een galsteenaanval had. Hoewel Janet bezig was de andere Nederlanders gerust te stellen kwam ze toch op haar hurken bij mevrouw Meyer zitten. “Zodra U aan de beurt bent help ik U in de sloep. En met een uurtje of twee bent U aan wal en zal de dokter U verder helpen”. “Ik ga niet in dat ding” antwoordde mevrouw Meyer half huilend maar zeer beslist. “Ik kom zo bij U terug” kapte Janet een volgende jammerklacht af.
Rond half tien werd de laatste groep, waaronder Gert en zijn vrouw langzaam in de reddingssloep naar beneden gelaten. Halverwege het dek en het water stopte de lier waaraan de boot vastzat. Er werd gevloekt en op knoppen gedrukt, maar blijkbaar had het water in de machinekamer het schip nu ook beroofd van elektriciteit. Met aluminium ladders die van het dek in de sloep werden gelaten werden de passagiers weer teruggebracht naar het nu toch al behoorlijk heet wordende dek. Geen tijd voor moeilijke oplossingen: er werden rubber dinghy’s naar beneden gegooid en één voor één liet de bemanning de laatste passagiers in een reddingboei met een touw eraan naar beneden zakken. Mevrouw Meyer was één van de laatsten die jammerend in het rubberen bootje belandde. Niet lang daarna verlieten ook kapitein Guiseppe Orsi en zijn officieren het schip en volgden de passagiers naar de te hulp geschoten ‘Hawaiian King’ die hen naar de Keniaanse hoofdstad Mombassa bracht. Twee dagen later, op 2 december,. terwijl een sleepboot probeerde een touw aan de Achille Lauro vast te maken, ontplofte deze en zonk.



film ondergang Achille Lauro

De eerste berichten na de ramp waren dat iedereen het had overleefd. Na een paar dagen werd bekend gemaakt dat er twee doden te betreuren waren bij de ramp. Pas later, toen de dochters van Leo van Welsum geen bericht van hun vader kregen en ongerust informeerden bij de Italiaanse ambassade, bleek dat ook Leo werd vermist en waarschijnlijk op het schip was omgekomen. Leo’s dochters Els en Sanne leefden twee maanden tussen angst en hoop voordat het bericht kwam dat er geen kans meer was dat Leo nog gevonden zou worden. Eerst terughoudend, maar al snel heel heftig kwam het verdriet; en de verwijten aan elkaar en zichzelf. Zij hadden pa op deze reis gestuurd. Zij hadden erop aangestuurd dat hij zijn boek zou afmaken. In de dagen daarna werd het huis van Leo leeggeruimd. Vrijwel alles ging naar de kringloopwinkel, op wat persoonlijke herinneringen na en een aantal aantekeningen die hij blijkbaar niet nodig had gehad voor het schrijven van zijn boek. Aantekeningen over zijn tijd als dwangarbeider. En hoewel ze al heel lang geen contact hadden gehad met Leo’s oorlogsvriend Joop, kregen ze nu het diepe gevoel dat ze hem persoonlijk op de hoogte moesten stellen van de dood van Leo. Aan de hand van een oud adres en wat speurwerk vonden ze het laatste adres van Joop. Een week later stond Els op de stoep op de Amazonelaan in Eindhoven. Joop deed open en barstte in tranen uit toen Els vertelde van de dood van Leo. “Kom binnen Els. Je hebt geluk dat je me nog op dit adres treft want ik ben ziek, kanker, en ik ga in januari naar een verzorgingstehuis.” Els kreeg koffie en ze praatten nog een tijd over vroeger. “Ik heb over die tijd weinig gepraat” zei Joop “Mijn vrouw Wiesje vond het vervelend om geconfronteerd te worden met zaken die herinnerden aan mijn Duitse vriendin uit de oorlog. Ik kreeg op een gegeven moment, toen ik al een tijd met Wiesje getrouwd was, mijn koffer terug die ik bij die vriendin in Duitsland had gelaten. Daar zat ook een foto in van mijn vriendin. Dat zorgde voor een heftige discussie met Wiesje. Ik heb de foto bij mijn andere spullen uit de oorlogstijd gedaan en op de berging gezet. Nooit meer naar gekeken. Hij is gewoon mee verhuisd naar dit huis en staat nu in de garage. Leo’s koffer heb ik toen naar hem gebracht. Jammer dat hij dat boek niet heeft kunnen schrijven. Ik zou dat heel graag hebben willen lezen. Wiesje is 5 jaar geleden overleden aan een herseninfarct. Ik denk dat ik weer eens in mijn koffer ga kijken. Daar zitten nog heel veel brieven uit die tijd in.” Joop haalde herinneringen op over de tijd dat Leo en Joop samen in Chemnitz waren en tevreden dat ze bij Joop langs geweest was ging Els laat in de avond terug naar huis.