Hoofdstuk 3.3

Ik slaagde voor mijn Havo examen met allemaal achten en twee vijfen. Kantje boord, want mijn scheikunde leraar had het niet zo op mij. “Wij kunnen niet samen door één deur” was zijn standpunt. Ik haalde voor mijn schriftelijk examen scheikunde een 2 en de leraar had me al aangekeken met een blik van: dat had ik wel verwacht. En eerlijk gezegd gaf ikzelf ook al bijna de moed op. Met een 2 op je eindlijst ben je altijd gezakt. Maar wonder boven wonder haalde ik voor mijn scheikunde practicum een 9. Samen genoeg voor een 5 dus net genoeg naast de 5 voor Frans om te slagen. Annelies zakte, hoewel ik mijn succes mede te danken had aan haar uitgebreide samenvattingen van de te lezen boeken. Zij stopte met school en ik begon een studie aan de Sociale Academie, nadat we drie maanden honger hadden geleden in Joegoslavië waar we met veel te weinig geld onze vrijheid vierden.

Yu2

Op de academie waren nog de naweeën van de bezetting en de wanorde van een opleiding waar de democratisering vorm gegeven moet worden in studentenraden en vertegenwoordiging in de academieraad. Een aantal studenten waaronder ik vormde een groep die besloot om de hele opleiding samen te blijven en ons te richten op het Marxistisch wetenschapsbegrip. We konden zelf docenten inzetten voor onze opleiding. Zoals een Marxistisch econoom van de universiteit van Tilburg, een uitgetreden priester voor de meer sociaal-menselijke onderwerpen of Robert Jasper Grootveld (ex-provo) voor de audio-visuele lessen. Die uitgetreden priester richtte zich inderdaad op de menselijke kant van de opleiding. Op een feest van de groep dook hij met één van de meisjesstudenten het bed in, waar ze pas de volgende middag weer uitkwamen. En Jasper Grootveld freakte met camera’s en eigengemaakte filmpjes vrolijk door de academie. De marxistisch econoom was een trofee voor ons. Hij was de eerste marxist die economie gaf aan de universiteit in Tilburg en dus nu ook aan ons. We studeerden ons suf op de werken van Marx en Engels. Ernest Mandel, die ik nog had van het Bouwhuis, was lezenswaardig, maar revisionistisch volgens onze econoom. En we studeerden kapitalistische economie natuurlijk, want die moest je kennen om aan te tonen dat Marx gelijk had en het kapitalisme niet deugde. Bij de bestudering van het Amerikaanse systeem ontdekten we een systeemfout. Volgens Marx draaide de economie om arbeid en productie van goederen. Het produceren van meerwaarde. Die productie van goederen en meerwaarde bepaalde hoe sterk de economie was en hoeveel geld erin omging. De VS drukte echter naar believen een veelheid aan dollars die niet gedekt werden door de waarde van de eigen productie. Maar dat verminderde de waarde van de dollar niet. Na wat lees- en zoekwerk kwamen we er achter dat olie altijd en overal betaald werd in dollars, want de VS beheersten de oliemarkt en deden er alles aan om die greep op de olie ook te houden. En dus wilde iedereen ter wereld dollars hebben. Het dollarpapiertje was daardoor een waarde op zich, los van wat er in de VS aan producten werd geproduceerd. Geld, het ruilmiddel voor producten, was zelf een product geworden. Dat moest mis gaan. De wereld zou snel ontdekken dat dollars gewoon stukjes papier waren die in grote hoeveelheden werden gedrukt door de VS zonder dat daar een goudvoorraad of de waarde van de fabrieken en producten tegenover stond. Dat zou tot een enorme economische crisis moeten leiden en het einde van het kapitalisme. Maar we werden teruggefloten door onze marxistisch econoom. Marx had over dit fenomeen niets gezegd. De ondergang van het kapitalisme kon volgens Marx en Engels alleen doordat de arbeidersklasse in opstand kwam tegen de uitbuiting van de arbeiders. Die moesten de productiemiddelen – de fabrieken – in handen nemen en zo de economie ten dienste stellen van het volk. Daar moesten we onze aandacht op richten en niet op kapitalistische fenomenen zoals de waarde van geld.  En dus richtten we ons op de arbeiders. Ik ging tussen de studie door werken aan de lopende band bij de Philip Morris sigaretten fabriek en in het magazijn van supermarktketen de Gruijter in Den Bosch. Als student werd je niet echt serieus genomen door je collega’s en terecht, want mijn tempo lag aanzienlijk lager dan dat van hen. Maar ik voelde me verbonden met de arbeidersklasse.

Op de Sociale Academie zat ook Yvonne; van dat oranje busje. Ze bleek de vriendin te zijn van Henk, de leider van de Rode Jeugd.  Er ontstond een vriendschap gebaseerd op Plumpton en op de vermeende band van mij met de Rode Jeugd. De vriendschap was ook vooral van praktische aard, want Henk en Yvonne woonden direct achter het café waar ik zeer regelmatig te vinden was. Ik had verkering met Annelies, maar wilde ook van het studentenleven genieten. Annelies studeerde niet meer dus we leefden in min of meer gescheiden werelden en daardoor ook relatief onafhankelijk van elkaar.

Henk en Yvonne

Henk bood onze studiegroep aan om deel te nemen aan de politieke scholing bij hem thuis. Ik had een hekel aan scholing, maar als opwarmertje voor het café bezoek kwam het goed uit en ik werd een vaste gast bij Henk en Yvonne. Daar kreeg ik ook het verloop van de acties die de Rode Jeugd voerde mee. Bij een demonstratie tegen de rol die Philips speelde als steun aan de kolonelsdictatuur in Griekenland werd er door de Eindhovense politie, maar vooral door de hen steunende Philips politie, hard opgetreden tegen de demonstratie.

Demonstratie Rode Jeugd

Het was het sein voor de Rode Jeugd om over te gaan tot hardere acties. Kopstukken van de Rode Jeugd waren naast Henk en Yvonne, Lucien en Evert. Politieauto’s werden opgeblazen en ook werd een bom gelegd bij hét Philips symbool: het Evoluon. Voor Philips waren de rapen gaar. Mijn vader werd samen met zijn collega, de vader van Lucien, door Philips ter verantwoording geroepen. Of ze goed begrepen dat het lidmaatschap van hun zoons van een terreurorganisatie consequenties kon hebben voor hun baan. Maar ook in de PvdA, waarin zowel Wiesje als Joop actief aanhanger van Nieuw Links waren – mijn vader als fractievoorzitter in de Raad van Eindhoven – werd heftig gereageerd. Fractiegenote Fia van Veenendaal wilde niet langer in één fractie zitten met fractiegenoten die samenwerkten met linkse partijen als de PSP of met ouders van communistische terroristen. Zij vond weerklank bij Tweede Kamerlid en communistenhater Frans Goedhart die al langer grote moeite had met de Nieuw Links vleugel in de PvdA. Een nieuwe partij werd opgericht: DS70 waarbij ook Willem Drees jr zich aansloot. Bij de verkiezingen in 1971 haalde DS70 in één keer 8 zetels en nam zitting in het kabinet Biesheuvel. Fia van Veenendaal werd staatssecretaris. Ze kwam in 1974 in opspraak nadat zij een kort geding had verloren tegen de toneelgroep Proloog. Zij had deze toneelgroep in december 1974 in ‘De Telegraaf’ beschuldigd van onjuiste declaraties, misbruik van subsidies, banden met terroristische groeperingen en indoctrinatie. De partijraad sprak op 1 februari 1975 haar afkeuring uit over de ongefundeerde beschuldigingen. Nadat de affaire begin 1975 was geluwd, was zij enkele maanden afwezig wegens ziekte.

Vrijwel ongemerkt vond er begin 70er jaren een omwenteling plaats. De nieuwe generatie opstandige jongeren vond tot dat moment zijn voedingsbodem in Europa. De muziek uit Engeland. De sterk gepolitiseerde protestbeweging in Duitsland, Frankrijk, Nederland en Italië. Met de bijna revolutie in Frankrijk in 1968 en extreme groepen zoals de Rote Armee Fraktion in Duitsland, de Rode Brigades in Italië en de Rode Jeugd in Nederland. Alles en iedereen leek gericht op het radicaal verbeteren van de wereld. Vanuit Amerika was eind 60er jaren een Amerikaanse versie van de jongerenbeweging de wereld in geslingerd: de Hippie beweging. Met iconische namen als San Francisco en Woodstock. Bloemetjes in het haar, communes ver van de bewoonde wereld, love en piece. Maar vooral sterk individualistisch. Volledig naar binnen gekeerde wereldbeschouwing. Trippend en zichzelf suf blowend fladderden de hippies door de wereld. De onschuldig lijkende leus was: “verbeter de wereld en begin bij jezelf”. Een weldoordachte slogan die een eind moest maken aan de gepolitiseerde wereldverbeteraars uit Europa. Want die radicale politisering had een sterke anti-Amerika stemming op gang gebracht. Steun aan Viet Nam en aan Ho Chi Min. Steun aan Cuba, Che Guevara en Fidel Castro. Steun ook aan China en Mao. En daartussendoor een opkomende communistische beweging gericht op alle bevrijdingsbewegingen en strijd tegen de apartheid.

Amerikaanse machthebbers gruwden van deze steeds sterker wordende linkse beweging. Voor Amerikaanse jongeren was het alleen wat ongemakkelijk dat Engelse popgroepen populairder waren dan de Amerikaanse groepen die nog waren blijven steken in het post-Elvis tijdperk. Geen wonder dat ze een typisch Amerikaanse beweging als de Hippie beweging omarmden. De daarbij behorende popgroepen werden door de Amerikaanse radiostations stukgedraaid en verschenen bovenaan in de wereldwijd toch nog toonaangevende music charts. De hippiebeweging moest vooral in Europa het tegenwicht bieden tegen de grote groepen links-politieke en anti-Amerikaanse jongeren. De jongeren moesten terug in hun hok. Op zoek naar zichzelf zoals dat hoort bij pubers. Mediteren en zweverige leiders volgen. Terug vooral naar the American Dream van individualisme en de droom dat je als individu alles kan bereiken. Verbeter de wereld en begin bij jezelf; vooral niet bij de wereld. De leus werd in de meer gepolitiseerde groepen in Nederland al snel omgekeerd: “verbeter jezelf en begin bij de wereld”. Maar de hippiebeweging had zijn weg al gevreten binnen Europa en toen ook Engelse idolen als de Beatles in Hippiegewaden en met bloemen voor de Maharishi in India stonden wist ik dat links langzaamaan de modder in zou worden gedrukt en het wachten was totdat ook Europa volledig zou veramerikaniseren.

In Eindhoven opereerde het duo Freek en Peer, vanuit een kraakpand in de wapen-, drugs- en vrouwenhandel. Ik zag ze wel eens in het gekraakte fabriekspand dat omgedoopt was tot popcentrum Para+, later de Effenaar. Ook Lucien kwam regelmatig bij Para+ en sprak Freek en Peer wel eens. Een vriend van Marcel ging er vaker mee om omdat het duo regelmatig drugsfeesten organiseerde. Freek en Peer pleegden een spectaculaire overval op de legerbasis Oirschot waar een grote hoeveelheid Uzi’s werd buitgemaakt. De Rode Jeugd probeerde hiervan te profiteren door geld van de BVD los te peuteren voor de informatie over de overval op het munitiedepot in Oirschot. Via een dubbelspion zou deze informatie verkocht worden. De BVD hapte niet, waarschijnlijk kopschuw geworden door een eerdere mislukte BVD operatie rond de  Rode Jeugd. Nog geen week later kwam Marcel ’s avonds bij mij met een in een krant gewikkeld langwerpig pakket. Het was een Uzi en Marcel was door zijn vriend gevraagd om die kwijt te raken. Of het ding bij mij in de schuur kon liggen. Ik bedacht me niet lang en fietste samen met Marcel naar de brug over het Eindhovens kanaal waar de Uzi in het water gegooid werd. De volgende dag stond in de krant dat een benzinestation was overvallen en de eigenaar was doodgeschoten met een Uzi. Het leek me geen goed idee om de politie melding te maken van de gedumpte Uzi. Niet alleen werd ik al verdacht lid te zijn van een terroristische organisatie, maar Freek en Peer tegen krijgen kon je dood betekenen.

Annelies werd in het eerste jaar dat ik op de academie zat ongepland zwanger. Haar ouders waren er stellig in: trouwen. En dus gingen we samen wonen op de eerste verdieping van het huis van mijn ouders en een paar maanden voor de bevalling trouwden we in het foeilelijke stadhuis van Eindhoven. Annelies in hotpants en ik in een zwart fluwelen pak dat ik daarna nooit meer gedragen heb. In de zomer van 1971 was het zover. De bevalling zou thuis zijn, op onze verdieping in het huis van mijn ouders. De weeën waren begonnen, maar de vroedvrouw kon nog niet komen omdat ze bezig was met een andere bevalling. “Probeer de weeën maar op te vangen” was het vage advies. Op het moment dat Annelies echt niet meer wist hoe ze de baby nog langer binnen moest houden kwam de vroedvrouw. “Begin maar meteen met persen.” Vrij snel was de baby er, een meisje. We hadden van tevoren bedacht dat ze Aimé zou heten. Maar ze wilde niet huilen. En langzaam werd ze paars. Ik had geen idee hoe een bevalling diende te verlopen en vertrouwde op de deskundigheid van de vroedvrouw. Die bleef een tijdlang als verstijfd staan kijken en begon vervolgens lusteloos op de rug van Aimé te kloppen. Maar Aimé ademde niet meer en ging dat ook niet meer doen. Na een paar minuten kwam mijn moeder de kamer in. “Wat is er met de baby?” De vroedvrouw keek haar een tijd hulpeloos aan zonder iets te zeggen. Mijn moeder rende naar beneden en belde de ziekenauto. Toen die kwamen konden ze niet meer doen dan constateren dat Aimé dood was. Ze namen haar mee en ik ging ook mee naar het ziekenhuis. Daar werden vragen gesteld die nauwelijks tot me doordrongen. Of we een begrafenisverzekering hadden of dat ik wilde dat ze de baby in het ziekenhuis zouden houden. Ik weet niet meer wat ik geantwoord heb. De baby werd weggedragen en achteraf begreep ik dat ze een begrafenis of crematie van het ziekenhuis had gekregen. Ze was behandeld als een anonieme vroeggeboorte. Koud en klinisch. Annelies en ik werden daar niet meer bij betrokken. Afscheid nemen kon dus niet meer. De volgende dag kwam dokter van der Hoeven langs voor Annelies. “Dit is een hele schok. De beste manier om daar over heen te komen is zo snel mogelijk weer zwanger worden” was zijn advies. Annelies en ik gingen de maanden daarna volledig in de ontkenning van wat er gebeurd was. We spraken er nooit meer over en leefden of er niets was gebeurd. De vroedvrouw werd na nog enkele slecht verlopen bevallingen uit haar beroep gezet. Annelies ging bij Philips werken en samen met de studiebeurs die ik van Philips kreeg konden we leven. Niet ruim, maar dat was normaal voor een student.

Eind 1972 verhuisden Annelies en ik naar een eigen huis aan de Morgenroodstraat 11. Daar werd begin 1973 ook dochter Solange geboren. Met hulp van dokter van der Hoeven, want een vroedvrouw wilden we nooit meer. We hadden een buurman, Paul, die violist was bij het Brabants orkest. Paul maakte tochten naar Spanje, waar hij antiek opkocht en in Nederland weer verkocht. Paul en ik konden het goed met elkaar vinden en er werden regelmatig de nodige flessen Spaanse wijn geopend en leeggedronken.

In 1974 studeerde ik af. Onze studiegroep had een gezamenlijk boekwerk geproduceerd met als titel “Marxistisch wetenschapsbegrip toegepast op het huidige klassebewustzijn”. In mijn studiegroep zat ook Fred en die huurde samen met zijn vriendin bij ons de eerste verdieping. Fred en ik vonden allebei werk in de pershal van DAF vrachtwagenfabriek. In 3 ploegendienst. Ik werd aan de grote Müller gezet, een grote pers waar de zwaardere delen van de vrachtwagen geperst werden. Met 4 man stond je aan de grote Müller, twee aan de ene kant en twee aan de andere kant. De eerste twee legden de stalen plaat op de persplaat, waarbij je met je armen en een deel van je bovenlichaam onder de pers stond. De werkers aan de andere kant haalden de geperste plaat er daarna weer uit. Om te zorgen dat je niet per ongeluk platgeperst werd, stonden er vier palen met een rode knop, aan beide zijden twee. Alle 4 de werkers moesten tegelijk hun knop indrukken om de pers in werking te zetten.  Dat iedereen telkens terug moest lopen naar z’n knop kostte wat extra tijd. De chef had daarom die veiligheid uitgezet. “Let goed op voordat je de knop indrukt want de veiligheid is eraf!” Je kan niet zeggen dat ze niet gewaarschuwd waren. Maar de Turk die in een andere ploeg ook aan de grote Müller stond had teveel watten in zijn oren of zijn Nederlands was nog niet zo goed. Hij verlegde de stalen plaat op het moment dat zijn collega de knop indrukte. We konden ons voorstellen in wat voor model zijn hand geperst was.  Hij mocht naar huis en we hebben hem niet meer terug gezien. Veiligheid was een thema bij DAF. Het geluid in de hal, maar zeker bij de gereedschapslijpmachines, was letterlijk oorverdovend. Er hingen daarom apparaten waar je een plukje watten uit kon trekken om in je oren te stoppen tegen de herrie. Arbeiders die langer bij de DAF werkten kregen last van hun gehoor. DAF oren. Maar dan schreeuwde je gewoon wat harder. De stalen platen werden roestvrij gemaakt in een groot dompelbad in een afgesloten hal. Van die dompelbaden kwamen giftige dampen af. Andere arbeiders moesten mondkapjes op als ze die hal in moesten.  Niet alle arbeiders bij de dompelbaden hadden die kapjes op. Ik vroeg aan de chef waarom zij niet? “Dat zijn Belgen” was zijn antwoord. Ik keek hem vragend aan. “Die professor heeft weer wat te mauwen” zag je hem denken. “Ze krijgen extra gevarengeld als ze daar werken en zonder mondkapje, daar kiezen ze zelf voor”  volgde zijn aanvullende verklaring. Geen vakantie dat jaar want de WK werd gespeeld en die keken we bij Fred en Petra. Nederland werd bijna wereldkampioen maar in de finale tegen de Duitsers haalden ze het net niet. Onderuit gehaald door Gerd Müller die in de 43e minuut 1-2 maakte voor de Duitsers. De grote Müller.

Muller      gerd muller

Door naar 3.4