Hoofdstuk 1.2

8 juni 1943, Wanderer-Werke Siegmar-Schönau

Familie Jongeneel

Weissenbruchstraat 332,  Den Haag

Beste allemaal,

“Het is nu kwart voor negen en ik heb net een boterham gegeten. We hadden namelijk vanavond een verplicht appel. Het was alleen maar voor werving voor de S.S.; of er nog liefhebbers waren voor het Oostfront. Veel animo was er niet en we waren blij toen we er weer uit waren. We zitten nog steeds in het Lager Siegmar, hoewel er vorige week een groot gedeelte verhuisd is naar het Volkshaus in Schönau. Waarschijnlijk blijven wij hier ook niet zo lang meer. De jongens die al verhuisd zijn moesten, voordat ze naar het nieuwe Lager gingen, eerst ontluisd worden in een stoombad; met al hun bagage. We hebben vandaag de hele dag moeten vijlen. Het valt niet mee, want je moet de hele dag staan en ‘s avonds ben je zo moe als een hond en we liggen liefst zo gauw mogelijk in bed.

Je ziet hier meer buitenlanders dan Duitsers: Fransen, Tsjechen, Italianen, Russen, Polen Noren, Denen, Hongaren, Belgen en Vlamingen. Massa’s Russische meisjes. Netjes gekleed en sommigen zien er knap uit. En groepjes Russische krijgsgevangenen met een soldaat erbij. Met de Russen en Polen mogen de Germanen niet omgaan. De meisjes hebben allemaal een stukje stof met het woord “Ost” erop op hun kleding.”

Joop schreef de familie in Den Haag met ijzeren regelmaat. Niet alleen omdat hij wist dat zijn moeder wilde weten hoe het met hem ging, maar ook voor zichzelf. Zo kreeg hij een dagboekachtig verslag van zijn tijd in Duitsland en daar zou hij later vast nog in willen lezen. En anders wel zijn kinderen en kleinkinderen. Joop plande graag vooruit en het koste hem geen moeite om hier in Duitsland te bedenken hoe zijn wereld er over vijf of vijfentwintig jaar uit zou zien. Pietje precies zeiden ze vroeger op school altijd. Meer iemand die controle over z’n leven wil houden, had hij zelf bedacht. Zijn passie voor wiskunde of eigenlijk alles wat met cijfers te maken had, was ook niet vreemd en niemand keek ervan op toen hij op de boekhoudafdeling van Ruys handelsvereniging ging werken. Hij hoopte maar dat hij als dwangarbeider hier in Chemnitz gelijksoortig werk mocht blijven doen. Dat was hem wel beloofd, maar de eerste dagen hier was hij gewoon één van de buitenlandse arbeidskrachten en moesten ze allemaal hetzelfde werk doen.

De Wanderer Werke lagen aan de Zwickauerstrasse op de rand van de wijken Schönau en Siegmar. Het was een brede weg die liep van het centrum van Chemnitz naar het 30 km verder gelegen Zwickau. Ongeveer 2 km voorbij de fabriek lag het station Siegmar. Vlakbij was het lager en hier was ook de tramhalte van waaruit ze ‘s morgens naar de fabriek gingen. Die tram kostte Joop toch elke week 8 mark; zonde van het geld, maar als hij elke morgen moest lopen zou hij zeker regelmatig te laat komen.  Er tegenover ging een weg naar het kasteeltje Rabenstein dat op een rots gebouwd was en van waaruit je prachtige wandelingen in de heuvelachtige en bosrijke omgeving kon maken. Station Siegmar was niet groot. Onder één van de bogen die doorgang gaven naar het perron en naar de kantoren, was een “Bahnhofgaststette”, maar die was al lange tijd niet meer in gebruik. Waarschijnlijk had de oorlog een einde gemaakt aan het bloeiende bierleven in het stationsgebouw. Vlak bij dit station was de Friseur, de kapper waar je als je wat langer bij de Wanderer Werke was, je haar kon laten fatsoeneren. Want de kapper in het Lager gaf iedereen een zelfde Bloempotkapsel.

Ze hadden een relatieve vrijheid; ze mochten op zondag gaan en staan waar ze wilden zolang ze maar in en rond Chemnitz bleven. Joop was aards als een paddestoel, maar hij genoot volop van de zomer en maakte op zondag lange wandelingen in de heuvels rondom Siegmar. Ze hadden in deze zomer iets onweerstaanbaar romantisch.

Waarschijnlijk versterkt door alle nieuwe ervaringen en door de voortdurende stress van de dwangarbeid, had hij het gevoel in een landschap te lopen waaruit Grieg zijn inspiratie voor Peer Gynt had geput. Hier, met de zon op zijn hoofd en de kleine vakwerkhuizen als een kitscherig schilderijtje om hem heen, leek het leven zo slecht nog niet. De wandelingen waren ook een vlucht voor het voortdurende gekanker van zijn lotgenoten in het Lager. Veel mensen hadden het op dit moment stukken moeilijker; zijn moeder in Den Haag bijvoorbeeld.

Gek dat hij daar nauwelijks meer aan dacht, behalve één maal per week als hij een brief schreef. Want dat vergat hij nooit. Dat zat in zijn nieuwe ritme, zoals bijna alles in zijn leven paste in een zelf opgelegd strak schema waarin ook nieuwe onderdelen binnen de kortste keren tot de automatismen behoorden. Joop ging op een heuvel zitten in een weitje bij Rabenstein, dat uitkeek op de stad Chemnitz drie kilometer verderop. Al snel verzonk hij in prettige gedachten aan het meisje dat hij op de fabriek had ontmoet.

Ze had blond, een beetje krullend haar, mooie volle borsten en ze had meteen zo voluit en lief naar hem gelachen, dat hij zeker wist dat zij hem net zo aardig vond als hij haar. “Ich heisse Christel” had ze gezegd en hij had zich voorgesteld in wat hij dacht dat de Duitse uitspraak van “Joop” was. “Joep” noemde ze hem vanaf dat moment en hij had het zo gelaten. Ze woonde in Siegmar bij haar ouders dus veel ouder dan een jaar of 18 zou ze wel niet zijn. Maar naar leeftijd vroeg je niet bij een meisje. Ze stopte hem bonnetjes toe voor sigaretten en zelfs voor worst, zoals een meisje op de lagere school snoepjes meeneemt voor het jongetje dat ze lief vindt. Christel, Christel. Hij herhaalde de naam een aantal keer in gedachten en onwillekeurig floot hij daarbij de eerste noten van Suite no 1 van Peer Gynt. Hij bedacht dat hij van Christel wel Duits kon leren, want dat was nog niet om over naar huis te schrijven. Naar huis schrijven; zou hij zijn moeder vertellen dat hij verliefd was op een Duits meisje? Beter van niet. Ze had al genoeg geleden onder het feit dat zijn oudere broer Tom uit Nederland was vertrokken omdat hij met een Duitse vrouw was getrouwd. Nee, ze had al zorgen genoeg.

Natuurlijk maakte hij regelmatig wat van het geld over dat hij hier kreeg voor het werk. Het was niet veel, maar dat kon je ook niet verwachten van een loontje van 30 mark per week. Daarom kwamen de bonnetjes van Christel goed uit, want zo hoefde hij minder uit te geven voor zichzelf.  “Ik wist wel dat je hier ergens zat!” Leo’s stem schalde over het veldje en Joop schrok op uit zijn gedachten. “Waarom ga je alleen aan de wandel? Ik loop wel mee hoor.” Leo deed quasi verbolgen en Joop stond op om naar zijn vriend toe te lopen. “Prachtig weer is het” zei Joop “ik kan zo uren door die heuvels hier lopen; even weg van dat verdomde Lager. Heb je sigaretten? De mijne zijn op.” Leo haalde een verfrommeld pakje uit zijn zak en bood een sigaret aan. “Weet je wat ze voor een sigaret geven in het Lager? Een mark per sigaret nu al. Maar ja, dat vraag ik jou niet hoor. Zolang de mijne niet op zijn kan je meeroken.” Ze liepen samen de heuvel af en niet verwonderlijk begon Leo meteen over vrouwen. “Leuke meiden lopen hier rond. Gisteren heb ik gepraat met die Russin, weet je wel, die met dat zwarte haar. Die praat een beetje Duits, maar je kent me, praten is voor mij niet zo belangrijk. Ik zie haar vanavond weer. Ja, ik pas wel op dat ze me niet zien met die Russin; Ik weet dat het verboden is om met ze om te gaan. Maar ze willen zo graag Joop. ‘t Is bijna te makkelijk. Die Christel is trouwens ook wel een leuk ding. Ik denk dat ik daar volgende week mee afspreek.” “Ik denk ‘t niet Leo. Die heb ik op het oog. Je houdt je maar een keer in. Deze is echt voor mij.” Joop zei het lachend, maar Leo voelde dat hij het serieus meende. “Okay Joop, je mag ‘r hebben. Als je tenminste weet hoe je dat aan moet pakken, want jij bent normaal niet zo snel met vrouwen. Of wil je iets serieus met haar beginnen. Als je maar niet meteen meegaat naar haar ouders, want dan moet je misschien nog wel met haar trouwen ook. Je weet nooit hoe ze daar in andere landen tegenaan kijken. Ik hoorde van mijn Russin dat ze in Oezbekistan je kop eraf schieten als je een meisje zwanger maakt en niet met haar trouwt. Ik heb haar gezegd dat ik dat niet van plan was en verdomd, ze lachte zo begrijpend naar mij dat ik zeker weet dat ik binnen een week met haar in bed lig.” ”Komt het ooit nog goed met jou Leo? Volgens mij krijg je nog een keer geslachtsziekte van al dat gevrij met die meiden. Eigenlijk zouden we ons rot moeten voelen, als buitenlandse dwangarbeiders in dat verrekte Duitsland met overal wandluizen op de muur en in je bed, te hard werken en te weinig eten en sigaretten. Maar ik voel me prima. De zon schijnt en wij lopen hier alsof het vakantie is. Dus als we daar ook nog een leuk meisje bij hebben kan deze vakantie niet meer stuk.” Leo lachte en samen holden ze het laatste stuk heuvel naar beneden naar de weg.

 

Zwickauerstrasse 152

In april 1944 verhuisde Joop met een aanzienlijk deel van de oude groep van de barakken naar een in Schönau – dicht bij de fabriek – gelegen gebouw: Zwickauerstrasse 152. Hun nieuwe onderkomen was een ruim opgezet en groot gebouw. Het “Volkshaus”. Met een keuken met kok, een filmzaaltje en nog wat van dat soort voorzieningen. Wat dat betreft hadden ze weinig te klagen. Alleen het eten was minder dan karig, waardoor Joop van de 28 sigaretten die iedereen per week kon kopen voor 20 pfennig per stuk, meer dan de helft ruilde met zijn Lager-maatjes tegen aardappelen.

De weg van het “Volkshaus” naar de Wanderer-Werke was 1162 stappen, zo had Joop geteld. En van de poort naar de ingang van het kantoor nog eens 38 stappen. Precies 1200 stappen bij elkaar. Dus heen en terug 2400 stappen. 24 was Joop’s bijzondere getal. Zijn leven groepeerde zich rondom dat getal. Hij was geboren op 24 april 1920. 24-04-20, dus 2x 24. En ook nu waren het 24 x 100 stappen heen en terug.

 

Door naar 1.3