Hoofdstuk 1.6

10 mei 1940

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Gewapend met machinepistolen reden ze met motorfietsen over de Groesbeekseweg. Er werd geschoten en her en der lagen gedode Nederlandse soldaten. Iedereen in Mariënboom liep door elkaar. Gasten uit Den Haag probeerden naar huis te komen, maar op het moment dat ze bij de Waalbrug kwamen werd die door Nederlandse militairen opgeblazen, samen met een aantal tanks en vrachtwagens van de Duitsers. Theo gaf het personeel opdracht om een kuil te graven die kon dienen als schuilkelder. Na een paar dagen was het voorbij. Nederland capituleerde en alles begon weer ogenschijnlijk normaal te worden. Het in het Mariënbos gelegen klooster met dezelfde naam, Mariënbosch, werd gevorderd als hospitaal voor Duitse soldaten. Op het terras, in het café en in de eetzaal van Mariënboom zaten dan ook vaak Duitse soldaten die enigszins hersteld waren en er kwamen eten of bier drinken. Wiesje trok zich weinig aan van de avances van de jonge Duitse soldaten, die smeekten om aandacht van de knappe blonde jongedame. De Duitsers werden bediend zoals Wiesje andere gasten ook altijd had bediend: vriendelijk maar afstandelijk.  Één van de Nederlanders die vaak in Mariënboom kwamen was Louis, een in Nijmegen wonende knappe rustige jongen uit Den Haag. En voor zijn avances viel Wiesje wel. Ze werd smoorverliefd op hem en hij kwam bijna dagelijks naar Mariënboom. Er werden zelfs al voorzichtig trouwplannen gemaakt.

Het was maandagmiddag toen een vriend van Louis plotseling aan het buffet stond waar Wiesje drank inschonk voor een paar officieren. Hij was lijkbleek en vroeg onhandig of Wiesje even wat tijd vrij kon maken. “Wat is er?” vroeg Wiesje die een sterke scheut van paniek door zich heen voelde gaan. “Louis stond op de trein te wachten op het perron. Het was erg druk en toen de trein het station binnenreed drong iedereen naar voren. Louis is gevallen en onder de trein gekomen.” Wiesje sloeg haar handen voor haar mond en stond enige tijd doodstil. Toen schreeuwde ze: “Wat is er met hem? Zeg het dan!” “Hij was op slag dood” antwoordde de vriend bijna onhoorbaar. Theo kwam op dat moment net aanlopen en hoorde de laatste zin. “Louis?” vroeg hij kortaf. “Ja” stamelde de vriend. “Vader sloeg zijn armen om Wiesje heen en drukte haar zonder iets te zeggen stevig tegen zich aan. Meer dan een minuut bleven ze zo staan terwijl van een tafeltje geroepen werd “Wo bleibt mein Bier?” Wiesje rukte zich plotseling los en stormde zonder iets te zeggen naar haar kamer. Het duurde een half jaar voor Wiesje weer aandacht voor jongens had.

Clubs en verenigingen waren verboden in het bezette Nederland, maar sportclubs mochten nog wel. Overal werden wandelclubs opgericht. Één van die clubs was de katholieke wandelclub NIMWA en de jonge mannen van die club kwamen altijd naar Marënboom, vooral omdat Wiesje en haar zus Beppie daar waren. Opvallend veel aandacht kreeg Wiesje van één van hen, Jo Thuis. Jo was zeer katholiek. Een broer van hem was priester en zijn zus was non. Volgens Wiesjes familie was het een enorme zeikerd, maar Wiesje viel op hem. Ze kregen verkering en minstens een jaar lang kwam Jo dagelijks langs. Hij maakte zich zorgen over het gevaar dat Wiesje liep als dochter van een Jood. Je kon maar beter katholiek zijn, vond hij. Dan zouden de Duitsers je wel met rust laten. En vader Theo moest helemaal oppassen. Jo’s broer de priester kwam op een dag met hem mee en ze voerden een lang gesprek met Theo en Toos. Zo ontstond het idee om Theo en Toos alsnog in de katholieke kerk te trouwen. Theo vond het best. Baat het niet dan schaadt het niet was zijn sceptische antwoord. En zo gebeurde het dat Theo en Toos opnieuw trouwden in de katholieke Doddendaalkerk bij pastoor Frankenmolen. In een achterafkamertje, want Theo was niet katholiek gedoopt en wilde dat ook niet, dus kon het niet in de kerk zelf.

verboden voor joden

Zoals op alle openbare gelegenheden hing vrijwel vanaf het begin van de oorlog op Mariënboom het bordje „Voor Joden verboden“. Theo mocht niet in zijn eigen hotel komen; tenminste niet in het voor publiek toegankelijke deel. Maar omdat hij een zeer goed kok was, bleef hij op verzoek van de Duitsers wel de maaltijden bereiden. Begin 1943 werden de meeste nog overgebleven Joden in Nederland, maar ook in andere landen, opgepakt en op transport gezet naar de vernietigingskampen. De Duitsers hadden hun vernietigingsmethoden vervolmaakt waardoor vanaf dat moment grote massa’s Joden naar de kampen konden worden gestuurd voor de – door Hitler zo genoemde – Endlösung: de totale vernietiging van het Joodse ras. Theo was de dans voorlopig ontsprongen omdat hij een soort bescherming genoot van de Duitse officieren die zijn kookkunst erg waardeerden en deze bijdrage aan hen en aan hun Duitse soldaten niet wilden verspelen door hem naar een concentratiekamp te laten deporteren. Ze konden dit min of meer verdedigen doordat Joden die getrouwd waren met een niet joodse vrouw later voor transport in aanmerking kwamen dan de Joden met een geheel joods gezin. Het was toen nog allemaal niet zo duidelijk, maar in de ijzeren volgorde die de Duitsers hadden gepland stonden iets later op de nominatie voor transport ook de half-joden, de kinderen uit een huwelijk tussen een Jood en een niet-Jood. Uiteindelijk moest iedereen met joods bloed vernietigd worden, want de Endlösung stond vast.

Van Dijk was politiecommissaris in Nijmegen. NSB’er en fervent Jodenhater. Hij kwam dan ook nooit in het „Jodenhotel“ Mariënboom. Hij kende Theo goed. Hij had toen ze klein waren en ze beiden nog in Eindhoven woonden bij Theo in de straat gewoond. En zijn moeder was goed bevriend geweest met Theo’s moeder. Onvoorstelbaar vond van Dijk het nu dat hij ooit vriendschappelijk met joden was omgegaan. En om Theo duidelijk te maken dat „untermenschen“ zoals hij alleen maar goed waren om te dienen en te kruipen voor het Arische ras, had hij bedacht dat Mariënboom een vakantiehuis voor de vrouwen en kinderen van NSB’ers en Nederlandse SS’ers zou worden. Om de veertien dagen kwamen er nieuwe groepen voor vakantie in Nijmegen en omgeving. Zo was er een keer een grote groep NSB’ers met hun gezinnen uit Den Haag. Het was het laagste tuig dat je je maar kon voorstellen. Een zoontje van één van de NSB’ers scharrelde door het hotel en kwam in de keuken terecht waar hij Theo zag. “Ik krijg van mijn vader een dolk en daar steek ik alle Joden mee dood.” Theo antwoordde: “Weet jij wel wat Joden zijn?” Nee dat wist hij niet. “Nou” zei Theo “jij loopt altijd op je blote voeten door het gras. En in het gras zitten allemaal kleine Joodjes die in je tenen bijten.” Gillend holde het kind terug naar het terras waar zijn ouders zaten: “De joodjes willen mij pakken”. De volgende dag moest Theo bij commissaris van Dijk komen. „Om te beginnen: je bent op straat gezien zonder Jodenster.“ loog van Dijk, „Daarvoor kan je zonder pardon naar een kamp gestuurd worden.“  Theo bleef uiterlijk kalm, maar inwendig trilde hij van woede en angst: het was voorbij, hij ging op transport. „Als jouw moeder zou zien dat ik hier zo voor je sta zou je er van langs krijgen.“ zei Theo dapper. Van Dijk lachte schamper. „Ook mijn moeder zou begrijpen dat er een oplossing moet komen voor de problemen die joden al eeuwen veroorzaken. Maar je mag van geluk spreken dat ik hier commissaris ben, want een ander had je al lang op transport naar een werkkamp gezet.“ Hij vervolgde: „Je begrijpt natuurlijk wel dat ik de mensen niet langer bloot kan stellen aan de omgang met Joden. En die Duitsers mogen je dan wel de hand boven het hoofd houden, maar het moet afgelopen zijn met die onacceptabele vermenging van ons volk met figuren zoals jij. Daarom wordt vanaf nu je hotel voor publiek gesloten. We hangen vandaag nog een bordje op.“ Theo voelde een steen van zijn hart vallen omdat hij niet gedeporteerd werd, maar eenmaal buiten wist hij niet of dit een uitkomst was waar je je gelukkig om kon prijzen.

Terug in het hotel vertelde Theo aan de Duitse officieren dat ze van van Dijk – hij noemde de naam met opzet – niet meer mochten komen. „Denkt die boerenpummel dat hij dat voor ons kan beslissen?“ antwoordde één van de officieren. Een week later kwam een nieuwe Duitse verordening: hotel Mariënboom werd voortaan het onderkomen voor Duitse officieren uit het hospitaal. Het antwoord van van Dijk kwam snel: „dan moet de Jood met zijn familie eruit“. Met tegenzin accepteerden de Duitsers het gezag van de commissaris. Ze vorderden een bovenwoning in de Stieltjesstraat waar de familie Rubens kon gaan wonen. Onder voorwaarde dat Theo nog op Mariënboom kwam koken bij belangrijke gelegenheden. En dus woonden ze al weer een jaar in de ruime bovenwoning. Van Dijk werd enige tijd later doodgeschoten, naar men zei door het verzet.

De verhuizing naar de Stieltjesstraat was voor Wiesje een tijdelijk kwaad, zoals de hele oorlog een tijdelijke rotperiode was waar je je doorheen moest slaan zonder je teveel aan te trekken van de Duitse overheersers of Nederlandse landverraders. Ze had zich ook goed kunnen voorstellen dat de familie in Amsterdam het advies om te vertrekken naar Amerika of Zwitserland niet had opgevolgd, hoewel ze dat makkelijk hadden kunnen betalen. Maar vorig jaar kwam het bericht uit Amsterdam dat ze allemaal – de familie Rubens en de tot de familiestam behorende families Posno en van Loen, waren gedeporteerd naar Westerbork. En het gerucht ging dat ze van daar waren weggevoerd naar concentratiekampen in het Oosten: Auschwitz, Treblinka of hoe die plaatsen ook mochten heten. Vader praatte er weinig over. Soms zei hij tegen moeder dat hij bang was ze nooit meer terug te zien en dan kwamen er tranen in zijn ogen. Wiesje begreep dat van die tranen niet zo, want grootvader Abraham en zijn kinderen waren in feite door de familie uit Amsterdam verstoten. En dat alleen omdat grootvader Abraham epilepsie had. Wiesje had wel eens gehoord dat de Amsterdamse familie het een schande vond dat vader Theo met een sjikse, een niet joods meisje was getrouwd en hij zijn kinderen niet asjkenazitsch – met de Joodse riten en gebruiken en de Hebreeuwse taal – opvoedde. Voor de oorlog werd iedere vrijdag een vorm van Sjabbes – sabbat – gevierd, er heerste dan een extra gezellige familiesfeer met de fraaie gedekte tafel met het gallen wittebrood, de vele lekkere dingen, en het  “naschen”. Maar de kinderen gingen niet naar de sjoel en zelfs lezen uit de Talmoed werd niet gedaan. Haar vader was een afvallige. Zij waren gojse kinderen. Maar niet dat had geleid tot het verstoten van hun tak van de familie, dat was gebeurd voor die tijd, de tijd dat Grootvader ging trouwen en de familie in Amsterdam moeilijk was gaan doen over zijn ziekte en over geld. Ze waren eigenlijk nog geen traan waard. Zouden zij ooit een traan om hen gelaten hebben, of om grootvader die epilepsie had? Wiesjes oordeel over de familie in Amsterdam was jeugdig hard, maar het idee dat haar familie door de Duitsers was gedeporteerd vervulde haar met een onvermoede Joodse strijdlust; een gevoel van Joodse verbondenheid dat ze nooit eerder had gehad.

Nijmegen, 22 februari 1944.

Het was geen uitgebreide lunch, maar Theo, de vader van Wiesje Rubens, was een goede kok en wist er ondanks de schaarste toch altijd een goede maaltijd van te maken. Wiesje werkte bij de Dobbelman zeepfabriek in Nijmegen en kreeg wekelijks een paar stukjes zeep mee naar huis. Die werden dan weer geruild tegen suiker, boter, aardappelen, of heel soms zelfs tegen echte koffie. En uit de keuken van de Dobbelman kantine kreeg Wiesje altijd haar middageten mee in een blikje dat ze speciaal voor dit doel meenam.

Iets voor twaalf uur had het luchtalarm geklonken en even later hoorden ze het monotone gebrom van hoog overvliegende bommenwerpers. De familie Rubens was gewoon aan tafel gebleven, want er vlogen vaker bommenwerpers van de geallieerden over Nijmegen, op weg naar steden in Duitsland waar de bommen werden afgeworpen. Rond één uur had het sein „veilig“ geklonken en Wiesje was meteen van tafel opgestaan.  Ze wilde absoluut niet te laat terug zijn op haar werk. Het was maar tien minuten lopen naar de Dobbelman zeepfabriek in de Graafsedwarsstraat in Nijmegen. Van hun bovenwoning in de Stieltjesstraat, over het stationsplein, honderd meter door de Arend Noorduijnstraat, de Graafseweg oversteken en ze was al in de Graafsedwarsstraat. Snel trok ze haar jas aan, riep terwijl ze de deur uitging: „tot vanavond pappa en mamma!“ en zette het op een hollen. De woorden van haar vader spookten even door haar hoofd: „meisjes hollen, vrouwen wandelen“. Wiesje was 21 en voelde zich al vrouw, maar de wil om op tijd te komen won het van vaders woorden. Wiesje was nog niet bij de fabriekspoort toen ze opnieuw het geluid van vliegtuigen hoorde, nu luider. Ze maakte zich er geen zorgen over. De sirenes hadden het sein „veilig“ gegeven, dus dit zouden wel Duitse toestellen zijn. Plotseling klonk een dof en oorverdovend gedreun. Ze keek geschrokken om en zag vlammen en wolken van puin en rook. Angstig maar niet panisch holde ze de fabriek binnen, waar haar collega’s zich verdrongen voor de ramen. „Weg bij die ramen!“ riep de chef. „Naar de schuilkelder.“ En snel en gedwee liep het hele personeel, dat grotendeels uit vrouwen bestond, richting de schuilkelder in de hoek van de fabriekshal. Na een paar minuten was het stil; doodstil. Even bleef iedereen nog in de schuilkelder, maar nog twee minuten later, toen het stil bleef,  waagden een paar medewerkers van Dobbelman, waaronder Wiesje, zich naar buiten om te zien wat er gebeurd was. Grote zwarte rookwolken stegen op uit de vlakbij gelegen binnenstad. Wiesje liep terug de fabriek in, trok haar jas aan en liep naar de Graafseweg. Met ontzetting zag ze in de verte dat het station getroffen was. Ze holde erheen, maar werd nog voor het stationsplein tegengehouden door twee politiemannen. Over hun schouder zag ze dat het stationplein bezaaid lag met doden en gewonden. Haar eerste gedachte was: Nellie, haar collega, loopt ook altijd over het stationplein naar Dobbelman. En die liep nooit hard. Voor haar een brandende tram. Het station zelf was ook getroffen en een vernielde trein stond nog bij het perron. Als verlamd kijkt ze naar het gruwelijke schouwspel. Ook rechts van haar richting binnenstad rookwolken en vernielde huizen.

Een panische schrik sloeg haar om het hart: „Pappa en mamma! Is de Stieltjesstraat getroffen?“ Ze wrong zich langs de politiemannen die haar niet konden tegenhouden en holde – langs de rand van het stationsplein om de doden niet te hoeven zien – naar huis. Het begin van de Stieltjesstraat was beschadigd, maar verderop waar hun huis stond was alles nog heel. Ze rende de trap op en riep tijdens het lopen: „Pappa, mamma!“ Meteen hoorde ze het gillend gesnik van haar moeder, die naar beneden kwam en haar om de nek vloog. „Kind,kind, ik was zo ongerust; pappa zei wel dat je altijd hard liep en al bij Dobbelman zou zijn, maar ik stond doodsangsten uit.“ Ook vader Theo kwam naar beneden. En weer zag Wiesje een traan opwellen in zijn ooghoek. „Goed dat je nog geen dame bent“ en op Wiesjes betraande gezicht verscheen zowaar een lach. Wiesje ging die dag niet meer naar Dobbelman.

De dag erna hoorde ze op de fabriek dat het ging om een bombardement van de Amerikanen. „Een vergissing“ was Wiesjes hardop geuitte vermoeden. De binnenstad was grotendeels verwoest en er waren minstens vijfhonderd doden, maar dat zouden er waarschijnlijk veel meer worden, want velen lagen nog zwaargewond in het ziekenhuis en wie weet wie er nog onder het puin gevonden zouden worden. Van de fabriek ontbraken zeven collega’s. Van drie wisten ze al dat ze dood waren, waaronder Nellie die samen met twee vriendinnen getroffen was op het stationsplein. En een vriendin van Wiesjes broer Barend, Ans, die op nummer 6 in de Stieltjesstraat woonde had een bomscherf in haar hoofd gekregen en was op slag dood. Er was een vraag: of er nog meisjes waren die konden helpen bij het noodbureau voor slachtoffer identificatie; administratief werk. Wiesje meldde zich onmiddellijk en vertrok met nog wat collega’s naar de Nijmeegse Veiling, waar de stoffelijke resten van de slachtoffers waren bijeengebracht. De dagen daarna bracht ze door met het bij elkaar zoeken van snel opgetekende briefjes: „voet met bruine vanHaren herenschoen, maat 42.“ Of op een ander briefje: “ Romp vrouw en arm met lichtblauwe blouse en zilverkleurig polshorloge“, met een nummer dat aangaf waar het betreffende lichaamsdeel te vinden was. Wiesje zocht dan het briefje met een gelijkende voet, een been of kledingstuk en legde deze bij elkaar, zodat de lichaamsdelen weer min of meer bij elkaar passend konden worden gerangschikt. Dat laatste hoefde ze gelukkig niet zelf te doen. Vervolgens kwamen overlevenden, aan de hand van het stoffelijk overschot of aan de hand van kleding of voorwerpen, een vriend of familielid identificeren. Was dit gebeurd, dan werd de naam op een kaartje aan het lijk vastgebonden. Gruwelijk werk, maar Wiesje kon haar emoties zover uitschakelen dat ze haar taak efficient kon uitvoeren zonder na te denken over wat een briefje concreet betekende of dat een lichaamsdeel niet lang daarvoor had toebehoort aan een levend mens. Het duurde acht dagen voordat alle lichamen in het puin gevonden waren, lichaamsdelen genummerd en bij elkaar gevoegd. Daarna zat Wiesjes taak erop en ging ze terug naar Dobbelman; waar de sfeer van voorheen nooit meer terugkeerde. De vrolijke meisjesclub die ze altijd vormden was in één klap een groepje serieuse volwassen collega’s geworden..

De Duitsers waren er een paar dagen na het bombardement snel bij met hun pamfletten: Een tekening van Nijmegen in brand met daaronder: „Anglo- Amerikaanse oorlogsvoering“. De Nijmegenaren waren geschokt en in diepe rouw, maar haat tegen de Amerikanen daar wilden ze niet aan. Tot grote frustratie van de Duitsers. Het was voor de Nijmegenaren steeds duidelijker dat de Duitsers de oorlog verloren hadden en dat lieten ze in hun houding ook merken. Vooral de NSB‘ers kregen het zwaar te verduren. Hun antwoord daarop was een primitieve heksenjacht op alles wat verzet, rood of Jood kon zijn.

scannen0001                   

 

Door naar 1.7