God en de vleeseters

De oorspronkelijke mens was een opportunist. Hij voedde zich met alles wat aan eetbaars voorhanden was: planten, vruchten, noten en wortels, aangevuld met wat dierlijke bouwstoffen van vis en kleine dieren als deze makkelijk te krijgen waren. De mens was een multi-food eter; niet echt gespecialiseerd in één bepaald soort voedsel. Zijn voedingspatroon paste hij aan de omstandigheden aan. Dat vergrootte zijn voedingsmogelijkheden maar vereiste ook extra inspanning  van de hersenfunctie. Oorspronkelijk hoorde vlees niet tot het standaard voedselpakket. Hij was niet echt gebouwd om te jagen; hij miste de snelheid die nodig is om een dier te vangen, hij miste de wapens zoals klauwen of scherpe tanden en de kracht om prooidieren te doden. Omdat de mens van oorsprong geen typische vleeseter is, hadden zijn maag en darmkanaal geen weerstand tegen ziektekiemen die in (dood) vlees aanwezig zijn. De mens was ook zeker geen aaseter. Hooguit voedde hij zich zo af en toe met vlees van bij bosbrand omgekomen dieren, waaruit door de verbranding de ziektekiemen verdwenen waren. Niet voor niets voelen we weerstand bij het zien van dode dieren of bij het ruiken van vlees dat langer gelegen heeft. Een genetisch ingegeven afweer om te zorgen dat we geen voedsel uitproberen dat schadelijk voor ons kan zijn.

De oorspronkelijke mens leefde in een “paradijs”: een bos- en waterrijke omgeving in een relatief warm klimaat, waarin voldoende voedsel voor hem aanwezig was. Zijn huid en beharing waren aangepast aan het milde klimaat en boden weinig weerstand tegen kou.
Deze bosrijke omgeving was minder geschikt voor grote groepen grazers, die hun voedsel op steppen en vlaktes zochten en daardoor was ook het aantal grotere roofdieren in deze omgeving beperkt. De oorspronkelijke mens had weinig natuurlijke vijanden en zijn bouw en gedrag waren daarom niet berekend op vluchten of verstoppen. De mens was uitstekend aan zijn voedselpatroon aangepast : hij had armen met handen en een beweegbare duim om te kunnen grijpen. Benen om rechtop te staan en zo vruchten uit bomen te plukken. Hij kon graven en klimmen en kon zo planten en wortels op en onder de grond bemachtigen als ook noten en vruchten in struiken en bomen.
De mens leefde in kleine familiegroepen. Het waren voornamelijk de vrouwen die voedsel verzamelden, terwijl de belangrijkste taak van de mannen was om onder elkaar uit te maken wie de sterkste genen had om vervolgens deze genen via de voortplanting door te geven aan volgende generaties. Mannen waren dan ook krachtiger gebouwd dan vrouwen die bij het verzamelen van voedsel minder baat hadden bij een gespierd lichaam. Mannen gebruikten deze kracht om hun rivalen te verjagen, voor het opeisen van door de vrouwen verzameld voedsel en voor het bijeen houden en verdedigen van een groep vrouwen via welke hun genen aan volgende generaties moesten worden doorgegeven.

De jongere -niet dominante- mannen in de groep verleenden hand- en spandiensten aan de vrouwen bij het verwerven van voedsel door het afbreken van takken met noten of fruit, of het vangen van vis en kleine dieren.

De mens, die voornamelijk van vruchten, planten, noten en knollen leefde, ontdekte dat het voor het uitgraven van de knollen, of het uit de boom slaan van vruchten, gemakkelijk was om een stok te gebruiken. Omdat maar weinig stokken echt goed geschikt zijn om te graven en ook vruchten uit bomen of struiken te slaan (stevigheid, lengte, hanteerbaarheid) hield de mens als hij eenmaal een goede stok had gevonden, deze bij zich als een soort privé werktuig. Een goede stok gaf hem/haar een voorsprong op de anderen. Door het meedragen van de stok kon hij zijn handen niet gebruiken om mee te lopen en ging hij vaker rechtop lopen.
Het gebruik van stokken leidde ertoe dat deze ook als wapen werden gebruikt door de mannen in de strijd om het leiderschap en ook als wapen tegen vijanden. De stok (de staf) is voor de mens altijd een belangrijk symbool van macht gebleven en wordt ook in de religie vaak als symbool gebruikt.

De voor de mens ideale oorspronkelijke habitat en het vrijwel ontbreken van grote roofdieren, zorgden voor een sterke toename van het aantal mensen. Als gevolg hiervan ontstond, waarschijnlijk in combinatie met een klimaatsverandering, een tekort aan voedsel. Dit leidde ertoe dat groepen elkaar in toenemende mate en heftigheid het voedsel bevochten. Bij gebrek aan natuurlijke vijanden werd de mens zijn eigen vijand en trad zo regulerend op in het beperken van het aantal. Het waren vooral de krachtige mannen die de strijd aangingen met tegenstanders, waarbij ook primitieve wapens, zoals stokken, beenderen en stenen werden gebruikt.

Vlees was een uitzonderlijke delicatesse. Slechts af en toe deed zich de gelegenheid voor dat de mens in de buurt was van een bosbrand en uit de verschroeide vlakte een nog eetbaar stuk geroosterd vlees van een verbrand dier kon bemachtigen voordat andere dieren het te pakken hadden. Het probleem van vlees eten was dat een dood dier ziektekiemen bevatten die het voor menselijke consumptie ongeschikt maakten. Alleen na verbranding was consumptie relatief veilig. Het was dan ook een erg instabiele voedselbron, omdat het onzeker was wanneer een verbrand dier gevonden werd dat groot genoeg was om de hele groep te voeden. Het zeldzame door vuur geschroeide vlees was  makkelijk te eten en hoefde ook niet meteen te worden opgegeten. De mens deed dan ook na een bosbrand verwoede pogingen om nog eetbare geschroeide dode dieren van de verbrande grond te halen. Waarschijnlijk is na een bosbrand de stok waarmee hij een dood en geroosterd dier van de hete aarde probeerde te trekken blijven smeulen. Hij sleepte de nog smeulende stok mee en ontdekte zo per ongeluk dat hij daarmee een eind verderop zelf vuur kon veroorzaken.

De taken van de man waren veranderd. In toenemende mate was hij beschermer en vechter tegenover concurrerende groepen mensen en vooral verschaffer van een aanvulling op het kariger wordende voedsel. De eerste stap in de richting van een rationele oplossing was dat hij niet meer wachtte tot een dier door omstandigheden (brand) gedood en geschroeid werd. Hij deed geslaagde pogingen om zelf dieren te doden en het zelf gedode dier te branden in het vuur. Hierdoor namen de consumptiemogelijkheden sterk toe.  De volgende grote stap was bijna onafwendbaar: de mens leerde om zelf na een brand het vuur aan te houden met hout of ander brandbaar materiaal en hij leerde hoe hij dit vuur mee kon nemen als de groep verder trok. De mens was nu “houder van vuur”.  De mogelijkheid om zich te voeden met vlees en het bezit van vuur maakte de mens minder afhankelijk van de bossen in het warmere klimaat. Er ontstond een grote migratie richting koudere streken met minder concurrerende groepen mensen, waar de grote aantallen dieren nu een voor de mens nieuwe voedselbron vormden. Met behulp van het vuur en met huiden van gevangen dieren kon de mens zich wapenen tegen een kouder klimaat, waartegen zijn eigen vacht onvoldoende bescherming bood.

Het eten van vlees leidde tot een andere, minstens zo cruciale, ontwikkeling bij de mens: het vermogen om te redeneren.
Omdat de mens van nature geen vleeseter en jager is, kon hij voor het verkrijgen van vlees niet bouwen op zijn aangeboren handelingen. Er was geen patroon van instinctieve houdingen en acties die hem de mogelijkheid gaven grotere dieren te jagen en te doden. Het vermogen om dit te doen berustte grotendeels op ervaringsleren. De mens moest anticiperen op omstandigheden waarin natuurlijk handelen: de via de genen meegegeven spontane reactie op bepaalde prikkels en situaties, niet tot het gewenste doel leidde. De reacties van de van oorsprong planteneter moesten worden uitgesteld en andere voor het doel nuttige reacties moesten op het juiste moment worden opgeroepen. Dit betekende dat hij eerdere ervaringen moest gebruiken als vervanger voor de realiteit: reactiepatronen op moest roepen zonder dat de directe omstandigheid deze reacties rechtvaardigden. Hij ontwikkelde het vermogen om de werkelijkheid te simuleren -zelf prikkels op te roepen, die leiden tot actie of juist uitstel van actie- op basis van eerdere ervaringen. Dit vermogen tot simuleren, het intern produceren van procesmatige actie en reactie (als a, dan b of c, als b dan x, als c dan y, etc.) vormde de aanzet tot wat wij nu denken noemen. Het volwaardige denken zal echter pas later komen, zoals we verderop zullen zien.

De mens leerde voorraden aan te leggen van gedroogde vruchten, planten en kruiden, van noten en van gedroogd vlees. Hij had daarom de mogelijkheid over de wereld uit te zwermen en de overbevolkte oorspronggebieden te verlaten.
Hij ging op zoek naar een geschikte leefomgeving met voldoende voedsel, waaronder nu naast het oorspronkelijke voedsel ook vlees. Mensen kwamen in de koudere steppegebieden, waar grote troepen planteneters leefden. Het ruigere klimaat, de noodzaak tot jagen, de vaak nieuwe en onbekende omgeving waarin hij terecht kwam en de grotere dreiging van roofdieren, die in de gebieden met veel wild ruimschoots aanwezig waren, vergden veel aanpassingsvermogen van de mens. Het dwong hem om nog minder te rekenen op de genetisch ingebakken overlevingsmethoden en meer en meer eigen ervaringen, maar ook de ervaringen van voorouders en anderen in te zetten in wat nu echt een harde strijd om het bestaan geworden was. De mens moest zich nu aanpassen aan de omgeving of die omgeving aanpassen aan de mens. Het natuurlijk handelen werd steeds verder verdrongen door complexe combinaties van ervaringen en toepassingen daarvan. De hersenen pasten zich aan dit nieuwe gedrag aan en de nieuwe delen ontwikkelden zich tot een plaats waar processen plaats konden vinden die wij ‘denken’ noemen. De mens leerde door “try and error”. Dit alles vereiste een spectaculaire ontwikkeling van het denken. In de nieuwe levenswijze kon niet meer uitgegaan worden van aangeboren instinctieve methoden tot overleven. Steeds meer was de mens aangewezen op kennis en ervaring. Deze kennis en ervaring moest overgedragen worden aan anderen, om te voorkomen dat ze verloren zou gaan. Immers, het ging om reacties op prikkels en situaties die onnatuurlijk waren voor de mens en dus niet via de genen doorgegeven konden worden.

De overdracht van kennis en ervaring geschiedde op 3 niveaus:
– de overdracht van directe dagelijkse ervaringen aan elkaar. Nodig om het leven in telkens wisselende omgeving en omstandigheden mogelijk te maken.
– de overdracht van vaardigheden, van belang voor het maken van wapens en kleding en voor de verschillende methoden van jacht op van elkaar verschillende prooidieren.
– de overdacht van belangwekkende leerprocessen uit het verleden, door het vertellen van verhalen. Dit laatste was nodig om delen van een nieuwe omgeving of situatie toch ‘te herkennen’ en daarop op de juiste wijze te anticiperen.

Het waren vooral de mannen die voor hun rol, het jagen en zorgen voor overlevingsstrategieën in een voor de mens onnatuurlijk kouder klimaat, hun natuurlijke oorspronkelijke handelswijze verdrongen door het denken. Voor de vrouwen ging dit geleidelijker in de vorm van het opslaan van nuttige informatie over de directe omgeving ten behoeve van voedselverzameling en geschiktheid voor de stam en hun kinderen en informatie over de sociale structuur binnen de stam om de kansen op het overleven van die stam of juist de eigen kinderen te optimaliseren. Maar alles nog vooral vanuit de oorspronkelijke genetisch bepaalde context met de omgeving en aangeboren handelingen. Door de mannen werd de vrouw dan ook vereenzelvigd met de oorsprong, met de band met de aarde: de oermoeder die hen de weg kon wijzen naar hun eigen verloren plaats in de wereld.* Vrouwen werden deel van -en ook wel middelpunt van- de mystieke beleving van mannen. Aan hen werden grote krachten toegekend en de vrouw als symbool werd vereerd, kreeg in die verering soms ook een belangrijke rol toebedeeld als medium. De vrouwen waren echter zelf geen deelneemster aan de groepsmatige mystieke belevingen. De noodzaak daartoe ontbrak ook bij hen omdat zij hun oorsprong en band met de omgeving niet in dezelfde mate verloochend hadden als de mannen.

In de loop der tijd zie je dat enerzijds de rol van de vrouw als natuurlijk draagster van de menselijke identiteit in vele ‘geloven’ naar voren komt, maar de man tegelijkertijd zijn, door de noodzaak van de jacht en de bescherming van de groep tegen de vijandige omgeving belangrijk geworden rol, probeert veilig te stellen door het denken en het mystieke beleven te verheffen tot de hoogste waarden die een mens kan verkrijgen om deze waarden vervolgens voornamelijk tot het exclusieve recht van de man te verklaren.

Geloof is: De niet verstandelijk begrepen connectie(s) met alles om ons heen.

Door het doorgeven van oeroude verhalen met gestileerde beelden van de geschiedenis van de mens, probeerde de mens zijn band met de oorsprong te behouden. In deze verhalen, die in hun kern vrijwel identiek in alle godsdiensten terug te vinden zijn, wordt verteld van de oorspronkelijke leefomgeving (het paradijs), waarin de mens nog ‘in vrede’ leefde met de dieren: nog geen natuurlijke vijand van de dieren (vleeseter) was. Veelal wordt , zoals in de Bijbel in Genesis, op de een of ander manier verwezen naar ‘de grote omslag’: het ontstaan van het denken (de boom der kennis), het daarmee gepaard gaande verlies van de binding met de eigen plaats in de natuur (de erfzonde) en het vertrek uit ‘het paradijs’ (Adam en Eva bedekten vanaf die tijd hun naaktheid: zij moesten zich kleden)
Deze overdracht vergde een toenemende mate van communicatie. Ook de nieuwe levenswijze noodzaakte tot meer en andere communicatie. De van elkaar verschillende wijzen van voedselvergaring: de vrouwen verzamelden en de mannen gingen op jacht, zorgde voor een vaak langdurige fysieke scheiding van de groep. Er moesten ervaringen uitgewisseld worden die niet door alle andere groepsleden gedeeld werden. Bovendien ervaringen die al langere tijd geleden waren opgedaan of over zaken die onbekend waren aan die leden van de groep die er niet bij waren. Soms ging het ook om meer dan een losse ervaring, om een heel proces. De oorspronkelijke, op gebaren en houdingen berustende communicatie aangevuld met ondersteunende klanken, voldeed nu niet meer.
De klanken werden uitgebreid en gingen steeds vaker vaste begrippen vertegenwoordigen: de mens ging praten en des te ingewikkelder zijn denkprocessen werden, des te meer werd de oude communicatievorm verdrongen door woorden , waarmee het mogelijk was om denkprocessen over te brengen.

In contrast hiermee stond de ontwikkeling van de gezamenlijke beleving van het ‘mystieke’.
De nieuwe levenswijze had de mens vervreemd van zichzelf, van zijn oorspronkelijke leefomgeving en van zijn plaats in die leefomgeving. Het denken had de oorspronkelijke en natuurlijke directe reactie op prikkels en situaties verdrongen en daarmee de automatische band of eenheid met de omgeving doorgesneden. Dit steeds verdergaande verlies aan direct contact met de natuurlijke en oorspronkelijke omgeving en met de eigen natuurlijke, instinctieve waarden kon slechts gecompenseerd worden door het bewaren en overdragen van oeroude rituelen en niet door het ‘nieuwe denken’ aangetaste belevingen. Door het uitschakelen of verminderen van het denken kwam men weer in contact met de oorspronkelijke mens. Deze oorspronkelijke mens had op zijn beurt een natuurlijke band met alles wat hem omringde: kende nog het ‘onbewust begrijpen’ van de omgeving; het mystieke bewustzijn van de eigen oervorm en de plaats die je oorspronkelijk hebt in het geheel van alles wat je omgeeft. Het was wat wij nu godsbeleving zouden noemen.

De behoefte hieraan was het sterkst aanwezig bij de mannen. Het waren de mannen die steeds verder van hun oervorm af kwamen te staan door een nieuwe en aan de aard van de mens vreemde levenswijze (de jacht) tot hoofdbestanddeel van hun leven te maken, waardoor ze de directe band met zichzelf en hun omgeving gedeeltelijk hadden moeten verbreken en vervangen door het denken. De vrouwen waren grotendeels vast blijven houden aan hun oervorm van overleven, met nog steeds het verzamelen van voedsel en het baren en verzorgen van kinderen als kerntaken.

Opvallend is de belangrijke en ‘magische’ rol die de hand speelt in veel geloven. De hand was bij de oorspronkelijke mens zijn belangrijkste lichaamsdeel. Voor de handelingen die nodig waren om zich te voeden: het plukken, klimmen, graven, en pellen, was de hand een uniek en onmisbaar instrument. Het was ook wat de mens (het meest) onderscheidde van andere dieren. Niet de hersenen/het denken, maar juist de hand die zo nadrukkelijk verbonden is met de oervorm en oude leefwijze van de mens, is in de meeste geloven een belangrijk magisch symbool gebleven.

De ontwikkeling van “geloof” was het sterkst bij de mensen die zich gevestigd hadden in een mensvijandige omgeving: de koudere gebieden, waarin men voor voedsel grotendeels aangewezen was op de jacht. In deze gebieden waren de oorspronkelijke menseigen leefmethoden het minst bruikbaar. Hier was de mens sterk aangewezen op zijn ontwikkelde denkvermogen, hetgeen onvermijdelijk leidde tot verdere vervreemding van de eigen identiteit. Het vasthouden van die identiteit leverde door de toenemende dominantie van het denken problemen op en de leefomgeving bood weinig identificatiepunten voor de doorgegeven beelden van de oorsprong van de mens.

Voor de mensen in deze omgeving was de band met de eigen oervorm en de oorspronkelijke leefomgeving steeds minder geworteld in de realiteit, kon niet langer ‘begrepen’ worden en werd in stand gehouden door haar buiten de realiteit te plaatsen in een ‘andere realiteit’: die van het geloof.

De in de mens zelf besloten natuurlijke band met de omgeving en het van nature ingegeven juiste handelen in die omgeving, waarvan de mens door de nieuwe levenswijze steeds verder vervreemde, werd nu overgedragen op “goden”. Oorspronkelijk werd nog wel begrepen dat de goden in de mens zelf huisden, maar naarmate de vervreemding toenam werden ook de goden steeds meer als ongrijpbaar en niet te begrijpen fenomenen buiten de mens geplaatst. Hoe vijandiger de omgeving, hoe agressiever de goden werden en de aan deze goden gewijde rituelen.
Daar waar de mens nog leefde in een omgeving die geen al te grote verschillen vertoonde met de oorspronkelijke leefomgeving, waar de verloochening van de eigen oorsprong en identiteit klein was, ontwikkelde zich vormen die meer gebaseerd waren op het “innerlijk begrijpen” en bewust worden van de omgeving en de plaats van de mens daarin (bv boeddhisme en wat wij primitieve geloven noemen). Deze vormen waren veelal minder agressief en benadrukten de eenheid van mens en omgeving.