Hoofdstuk 3.0 Illya

Illya Jongeneel

Eindhoven, 17 oktober 1950

Het was dinsdagmiddag tien over één. Op de Noordbrabantlaan 92 lag Wiesje vermoeid met haar pasgeboren kind op een bed in de achterkamer van hun huis. Het behang zat tot een meter boven de bedrand onder de bloedspetters van de doorgeknipte navelstreng. De weeën waren om elf uur die ochtend flink door gaan zetten en dokter van der Hoeven was een half uur later komen kijken. Na de ontsluiting gecontroleerd te hebben en de snelheid waarmee de weeën elkaar opvolgden had hij gezegd: “Dat duurt nog wel even. Ik ga thuis eten en als ik terug ben beginnen we met de bevalling.”

Maar om half één kwamen de weeën wel erg snel achter elkaar. Wiesje, die alleen in huis was, raakte ligt in paniek. Ze liep de deur uit om buurvrouw Will Brave te halen. Die was nog niet binnen of dokter van der Hoeven stond in de gang. “Het is te druk. Het duurt te lang om thuis te gaan eten, dus ik ben maar terug gekomen.” “Wat een geluk,“ zuchtte Wiesje, “ik was al bang dat ik zonder U moest bevallen. De weeën komen nu echt om de paar seconden.” “Dan zullen we maar snel beginnen.” Will Brave bekommerde zich inmiddels om Wiesjes anderhalf jaar oude zoontje Jaap en zette een ketel water op om de kruiken mee te vullen die het wiegje warm moesten houden. De bevalling zelf verliep zonder veel problemen, maar wel met veel bloed dat tegen het behang was gespat. Om tien minuten over één werd ik geboren. Op een mooie warme herfstdag. Vader Joop kwam een paar minuten later. Hij had middagpauze maar had er niet op gerekend dat ik er al zou zijn. De buurvrouw maakte een paar boterhammen voor Joop en gaf Wiesje wat te drinken. “Ik ga eerst slapen” zei Wiesje, en iedereen verliet de achterkamer. “Hoe heet hij?” vroeg de dokter terwijl hij papieren invulde. “Ruben Israël, naar zijn opa” antwoordde Joop, “We noemen hem Ruben”.

Joop had een baan gekregen bij Philips en na een periode van op en neer reizen van hotel Mariënboom in Nijmegen – waar Wiesje en hij met hun daar geboren zoon Jaap tijdelijk woonden – naar zijn werk in Eindhoven, bood Philips een huis aan in Eindhoven.  Begin 1950 waren ze verhuisd naar hun nieuwe huis aan de Noord Brabantlaan. Een lange laan met hoge bomen. Een weg met zwarte kasseien, ofwel kinderkopjes, in het midden. Spekglad als het regende. Aan weerszijden een ventweg. De huizen waren officierswoningen van de Duitsers geweest in de oorlog; vermomd als gewone rijtjeshuizen, maar wel met buitenmuren van een halve meter dik. Philips had ze verbouwd tot woningen voor Philipspersoneel.

De wereld was overzichtelijk. Verkeer was er nauwelijks. Auto’s waren van de militairen op de vliegbasis of van hoge Philips mensen op weg naar het vliegveld. Leveranciers kwamen aan de deur met bakfiets of paard en wagen. Het paard van de melkboer kreeg elke ochtend een stuk oud brood en kwam speciaal daarvoor de stoep op.

Soms viel een paard als het geregend had en de kasseien spekglad waren. Een paard brak daarbij een keer zijn been en moest na een half uur op de grond gelegen te hebben, worden afgemaakt. Alleen ’s ochtends vroeg, tussen de middag en ’s avonds was het uitkijken voor de vele fietsers die naar hun werk gingen of op weg waren naar huis. Voor mij was de hele wereld een speelplaats.  Niet helemaal veilig, maar daar waarschuwde moeder voor: “Niet met vreemde mannen meegaan.” “Uitkijken bij het oversteken.” Toen ze hoorde dat ik aan de baileybrug over het kanaal had gehangen werd me dat verboden. “Levensgevaarlijk. Als je in het kanaal valt kan je vast komen te zitten in een oude fiets die onder water ligt.” En als moeder zei dat het gevaarlijk was, dan wist ik dat het ook gevaarlijk was. En daarom ook wel weer spannend.

Op maandag werd er door alle huisvrouwen gewassen. Grote pannen met was op het vuur. Daarna door de wringer en ophangen aan de lijn. Aan het eind van de ochtend hing overal de was buiten. Een voor- en een achterkamer. Met een schuifdeur ertussen. En een doorgeefluikje van de keuken naar de achterkamer waar je doorheen kon kruipen. In beide kamers een kolenkachel waarvoor in de winter een droogrek werd gezet om de was te drogen. Kolenhok in de schuur; kolenkit naast de kachel. In het voorjaar moest het stof van een winter kolenstook eruit en moesten de gordijnen gewassen worden. De grote schoonmaak. Het hele huis werd gelucht, het beddegoed werd buiten gehangen, vloer- en tafelkleden over de kloppaal en met een matteklopper werd het stof er grondig uitgemept; meubels en bestek werden gepoetst en vloeren geschrobd. Mijn moeder  haatte de voorjaarsschoonmaak maar onder druk van de buurvrouwen – “ben je al aan de grote schoonmaak?” – deed ze het toch; elk voorjaar opnieuw. We hadden nog geen douche. Wel een geiser in de keuken. We werden gewassen met een washandje, zittend op de aanrecht. Één keer per week werden we in een grote teil van kop tot teen gewassen. In de winter werd die teil voor de kolenkachel gezet. ’s Middags een kopje thee met een maria kaakje. Snoep kreeg je alleen als er een verjaardag was. Het was zoals het was en ik was er gelukkig mee.

mattenklopper  in de teil 

Ik liep met mijn vriendje Kees, die drie deuren verderop woonde en van mijn leeftijd was, naar de kleuterschool. Mama was twee keer meegelopen maar nu konden we het zelf. Het was niet ver maar we vonden het ook niet nodig om keurig over de stoep rechtdoor naar school te lopen. We konden ook over het zwarte pad achter ons huis. Met een leegstaande oude boerderij en bloemen in de verlaten tuin. Langs een tweede boerderij waar ze in de stal groente en fruit verkochten en waar Kees en ik soms een appel kregen. Dus kwamen we regelmatig te laat.

  

Als we met de klas gingen wandelen langs de velden of langs het kanaal ontsnapten we en gingen alleen op avontuur. Mama moest regelmatig bij het hoofd van de kleuterschool komen om te horen dat haar zoon en zijn vriendje zich beter moesten gedragen en zich aan de regels moesten houden. Niet dat de juf zorgen had over onze veiligheid, maar ze vond het vervelend om te moeten zeggen dat ze niet wist waar de jongens waren als we ’s middags opgehaald werden door mijn moeder. De kleuterjuf was mooi en vrolijk. Ze had lang blond haar en knalgroene kousen. Rock & Roll kousen volgens mama. Op een kinderlijke manier was ik verliefd op haar. Net als op mijn half Indische buurmeisje. Maar over de juf fantaseerde ik spannende dingen. Dat ik heel klein was en in de wc pot zat terwijl de juf daarop zat in haar blote billen. Ze zag mij niet. Zo klein was ik. Andere moeders zeiden vervelende dingen over de juf en na een half jaar was ze ineens weg. “Jullie hebben een nieuwe juf” was de fijngevoelige uitleg. Tere kinderzieltjes bestonden gelukkig nog niet.

Mijn geheugen werkt met stilstaande beelden. Dromen met bewegende beelden en soms geluid; levensecht lijkende fictie verweven met echte personen en documentaire fragmenten. Geen geuren. Geuren kan ik ook niet oproepen. Die herken ik pas als ik ze ruik. Zoals de lijkenlucht van die dode hond die in het kanaal lag. De brandlucht van een afgebrande boerderij. Of de geur van de toiletten in het souterrain van hotel Mariënboom. Dan komen ook heel sterk de gevoelens of beelden die passen bij die geur. Maar mijn voorbije leven bestaat vooral uit reeksen stilstaande beelden.

De bakker belt aan de voordeur.  Staand op de stoel leun ik over de achterleuning om door het raam te kunnen kijken. De stoel valt om en ik krijs alles bij elkaar. Ik krijgt van mama een eierkoek.

Ik zit in het gras en ineens kruipen er honderden rode mieren in mijn korte broek en onderbroek. Ik word overal gebeten en benen, billen en piemel zitten onder de rode plekken.

Oma Rubens staat met mij op de arm voor het raam in de Noordbrabantlaan naar het onweer te kijken. De lucht is pikdonker. Plotseling een verblindende flits en meteen daarop een oorverdovende knal. De bliksem is in de lantaarnpaal voor het raam geslagen. Mama gilt naar oma: “weg bij dat raam!”

Ik heb te korte achillespezen en mijn voeten staan naar buiten. Om dat recht te laten groeien had ik ’s nachts ijzeren beugels om mijn benen. En telkens als ik beweeg of me omdraai klinkt het geluid van kletterende beugels.

Ik ben vijf in het voorjaar van 1956. Er wordt aangebeld en mijn moeder doet open. Er staat een meneer van van Gend en Loos aan de deur die zegt dat hij iets komt brengen uit Duitsland. Twee bruine koffers worden neergezet. Als papa thuiskomt ontstaat er een heftige discussie. In het engels, want als papa en mama willen voorkomen dat de kinderen meekrijgen waar het over gaat praten ze engels tegen elkaar.  Ik voel dat er iets ernstigs speelt tussen mijn ouders. De dag daarop vertrekt papa met één van de koffers om ‘s avonds zonder koffer weer terug te komen. Er wordt niet meer over gepraat. Althans niet in mijn bijzijn. Het probleem lijkt opgelost hoewel ik nu wel erg nieuwsgierig werd wat er in die koffers zat.

Het was nog niet zo lang na de oorlog en er was woningnood. Je mocht je gelukkig prijzen als je een huis had. Maar het was dan wel een soort morele plicht dat je je huis deelde met diegenen die niet zo gelukkig waren. Bij ons thuis woonde de broer van papa, ome Aad, met zijn vrouw, tante Rennie in. Ome Aad en tante Rennie hadden een opklapbed in de achterkamer. Overdag werden matrassen en beddengoed met riemen aan het bed vastgemaakt en zo werd het tegen de muur geklapt. Eten deden we met z’n allen in de voorkamer die voor een flink deel gevuld werd met een zware houten uitschuiftafel. Er stonden twee kinderstoelen en vier grote stoelen die bekleed waren met een groene fluweelachtige stof met een plantenmotief. Hoewel er geen ruzie gemaakt werd waar de kinderen bij waren, voelde ik wel de spanning tussen mijn ouders en oom en tante. Vooral mama was dan ook blij dat ome Aad en tante Rennie na drie jaar een huis in Geldrop kregen.

Zondag ’s morgens kropen mijn broer en ik bij papa in bed. Dan las hij een verhaal voor uit de kinderbijbel. Een bijbel met prachtige tekeningen. We bleven liggen tot mama kwam met voor ieder twee beschuitjes met kaas en een kop thee. De kruimels in het bed waren de reden dat we na afloop van het Bijbelverhaal uit bed gingen. Mama was niet gelovig. Ze had een hekel aan dominees, priesters en iedereen die in de naam van God het ware geloof verkondigde. Papa was hervormd opgevoed en zag geen probleem om dit geloof aan te houden. Hij betaalde ook elk jaar een bijdrage van zijn inkomen aan de kerk. Mama was het met hem eens dat het goed was om de kinderen wel te leren dat er veel mensen waren die zich beriepen op God of de Bijbel. En dus moesten we ook weten waar dat vandaan kwam. Mijn ouders vonden dat de kinderen moesten weten wat er in de bijbel staat omdat een flink deel van de wereld zich baseert op die bijbel. Maar één speciaal geloof propageren gebeurde niet.

Dat was anders bij Kees thuis. De ouders van Kees waren streng gereformeerd. Op zondag mocht Kees niet zwemmen en mocht hij ook geen ijsje kopen als het warm was. De moeder van Kees vroeg regelmatig aan mij of ik niet mee naar de kerk wilde. Mama vond dat niks. “Je moet zelf denken en zelf beslissen. In de kerk proberen ze je hun idee over de wereld en het geloof aan te praten. Als je achttien bent mag je zelf beslissen. Als je dan naar de kerk wil is dat je eigen keuze.” Veel later bedacht ik dat hier de echo van mijn anarchistische opa Rubens had geklonken.

Ik bleef een keer bij Kees eten. Vooraf las de vader van Kees een stukje voor uit de bijbel. Het ging, zo legde de vader uit, over de straf die ongelovigen boven het hoofd hing, waarbij hij mij aankeek. En in het gebed vroeg hij vergeving en steun aan God voor degene die niet in God geloofde. We aten aardappelen en uitgebakken spekjes die vet en vies waren. Bij het familieverzetje, de sjoelbak, mocht ik niet meedoen omdat ik volgens de vader zweethandjes had en de sjoelstenen daarvan stroef werden. Gereformeerden geloofden dat de duivel bestond. Ik had daar niets mee, maar kon me, na een omschrijving van die duivel, wel voorstellen dat ze er bang voor waren. Bang voor elkaar en bang voor zichzelf. En in ieder van hen kon de duivel het kwaad doen bovenkomen. De moeder van Kees was niet veel beter. Wij waren het eerste gezin in de straat dat een televisie had. En Kees kwam altijd op woensdagmiddag kijken naar het kinderuurtje met Dappere Dodo. De moeder van Kees was al een paar keer aan de deur geweest om te zeggen dat televisie des duivels was en het een absolute schande was dat iemand de duivel in huis haalde. Maar toen mama een keer op woensdagmiddag met mij naar de stad wilde om nieuwe schoenen te kopen, kwam de moeder van Kees op hoge toon verkondigen dat dat zomaar niet kon want waar moest Keesje dan naar het kinderuurtje kijken. Mama reageerde koel: “misschien kunt U dan beter zelf de duivel in huis halen.”

Om de veertien dagen gingen we met de trein naar Nijmegen, naar opa en oma in hotel Mariënboom. Onderweg in de trein hield mama ons bezig door het aantal kraaiennesten te laten tellen in de bomen waar de trein voorbij reed. We stopten bij alle stationnetjes en de reis duurde meer dan een uur. Als het mooi weer was gingen we in Nijmegen lopend naar Mariënboom. Dat was een flink eind. Maar als het weer wat minder was gingen we met de bus, lijn 4. Een trolleybus die als een tram met een lange schuif bovenop de bus verbonden was met een elektrische draad boven de weg. En op de bus stond als eindhalte: Mariënboom.

Bus Mariënboom    

We gingen op zaterdagmiddag en dan zondag weer terug. Papa deed de boekhouding voor het hotel en mijn broer en ik speelden eindeloos in en rond het hotel. Vaak samen met de kinderen van oom Barend, neef Peter en nicht Astrid die van dezelfde leeftijd waren en in Nijmegen woonden.  Hotel Mariënboom had alles wat je je als kind kunt wensen. Een lieve opa en oma die meestal niet zo veel tijd hadden voor de kleinkinderen; het was hard werken in het hotel. Met een grote gedraaide stenen trap kwam je in de benedenzaal. De feest- en danszaal. Een groot houten podium met daarop twee piano’s. Oom Eddie en oom Barend speelden wel eens samen, ieder op een piano. Meestal een stuk dat oom Eddie wilde spelen. Oom Barend was de goede pianist. Oom Eddie speelde vooral populaire liedjes die dan zonder probleem werden meegespeeld door oom Barend.  De piano waar oom Eddie op speelde had een typisch geluid. “Doordat er vaak bier ingegooid is” verklaarde oom Eddie. Hij vond dat rauwe honki-tonk geluid prachtig ook al zei oom Barend dat de piano vreselijk vals was. Op dat podium stond ook een vierkante houten kist met een bezemsteel rechtop erin geplant waaraan van boven naar beneden een touw vastzat. Een theekist volgens oom Eddie. Een echt muziekinstrument waarmee de jazzband speelde. In een opslagruimte naast de zaal hingen levensgrote gekleurde maskers van papier mache. Carnavalsmaskers. Voor als in de zaal het jaarlijkse carnaval gevierd werd. In de grote zaal was een bar waar we stiekem flesjes limonade uit de kast pakten; Ook boven in de serre stond een piano en ook daar werd op gespeeld als we voor een drankje of een hapje met z’n allen in de serre van de zon zaten te genieten. Het grootse deel van de tijd waren we in de grote tuin met oude kastanjebomen; de loslopende kippen en de herdershond Bobby.  Een Duitse herder die – wrang toeval – leek op de Duitse herder Blondi van Adolf Hitler.

blondi 2   Bobby 2

Blondi                                                      Bobby

Naar de familie Jongeneel gingen we bijna nooit. De familie’s mochten elkaar niet. Ome Jaap was na de oorlog geïnterneerd geweest vanwege zijn NSB lidmaatschap en was zijn kiesrecht kwijt. Ook de rest van de familie was hard gestraft na de oorlog voor hun NSB lidmaatschap. Ze praatten nooit over politiek, maar hadden een gruwelijke hekel aan alles wat rood was. Zoals de familie Rubens bijvoorbeeld. Alleen één keer per jaar kwamen de families Rubens en Jongeneel samen op papa’s verjaardag. Op die gezamenlijke feestjes zaten de families ver van elkaar. En steevast stond de familie Rubens aan het eind op en zong de internationale, onmiddellijk overstemd door de familie Jongeneel die staand het Wilhelmus zongen, waarop ze terug naar Den Haag vertrokken.

Het was zaterdagmiddag 22 september 1956. Een uur of één. Ik had net gegeten en we zouden naar opa en oma in Nijmegen gaan. Het was nog warm en de zon scheen. Ik speelde buiten voor het huis toen een straaljager heel laag aan kwam vliegen. Even dacht ik dat het vliegtuig recht ons huis in zou gaan, maar het scheerde met een bocht laag over het dak en verdween achter de huizen aan de overkant. Meteen daarop een harde knal. Anders dan de knallen die je hoorde als ze door de geluidsbarrière gingen. Dit was een zeer luide scherpere klap, meteen gevolgd door een gigantische rookpluim. Het vliegtuig was tegen het dak van een huis aan de overkant van de straat gevlogen en in de wijk neergestort. Ik rende de straat op om te gaan kijken, maar meteen voelde ik de hand van mama die me stevig vastpakte en tegenhield. “Hier blijven! Hij kan nog ontploffen.” Zei ze kortaf. Vanaf ons huis keek ik naar de rookpluim die steeds dikker werd. Overal om ons heen holden buren naar de overkant. Lang kon ik niet blijven kijken. We moesten naar opa en oma, naar Mariënboom. Van de reis naar Nijmegen herinner ik me niet veel meer. Opa had al televisie en ’s avonds werd die meteen aangezet. We zagen beelden van onze straat en de wijk. Van vernielde huizen en drommen mensen. De piloot had zijn vrouw bij ons tegenover in de Bergen op Zoomstraat gedag willen zwaaien vanuit zijn straaljager. Er waren maar twee doden, de piloot en iemand die z’n bromfiets stond te repareren. “Voor hetzelfde geld valt hij op jullie huis.” zei oma. Ouderen hebben vaak een totaal andere kijk op de wereld. Dit was gewoon spannend zo vlak voor ons huis.

 

Door naar 3.1